Geopark Heuvelrug

Share Button

De gehele heuvelrug mét zijn natte randgebieden.

bijgewerkt 04-02-2018

Ontstaansgeschiedenis
Aardkundige waarde
Natuur
Cultuur
Recreatie

Biografie van het gebied
Nationaal Park Heuvelrug
Beleid provincies aardkundige waarden en monumenten

Ontstaansgeschiedenis
De Heuvelrug is in de voorlaatste ijstijd, zo’n 150.000 jaar geleden, door een dik pakket landijs opgedrukt. Vóór die tijd stroomden Rijn en Maas verder naar het noorden dan tegenwoordig, ongeveer op de plek waar nu de Gelderse Vallei ligt. Voorafgaand aan de ijsbedekking hadden deze rivieren daar dikke lagen zand en grind afgezet. Toen in het Saalien het ijs tot dit deel van Nederland oprukte werden deze rivierafzettingen opgestuwd in hoge stuwwallen. Dit ijs kwam op de lijn Haarlem-Utrecht-Nijmegen tot stilstand. Op de Heuvelrug zijn verspreid over de stuwwal van noord naar zuid meer dan 30 benoemde “bergen”. Van noord naar zuid als eerste de Eukenberg (14,3 meter) bij Huizen en als laatste de Grebbeberg (50,2 meter) bij Rhenen. De hoogste “berg” is de Amerongse Berg (68,9 meter) bij Amerongen

Aan de rand van het ijs zocht smeltwater zijn weg door zwakke plekken in de stuwwal en er ontstonden ijssmeltwaterdalen. Het sediment dat door deze smeltwaterstromen geërodeerd werd, werd in grote sandrvlakten aan de westrand van de Utrechtse Heuvelrug afgezet. Dit verklaart waarom de helling aan deze kant veel flauwer is dan aan de oostkant. Op deze sandrs zijn ook zwerfkeien te vinden die meegespoeld zijn met het smeltwater uit de ijskap. Een sandr (of spoelzandwaaier) is een waaiervormige afzettingsvorm die voor een ijskap of gletsjerfront gevormd is.

Aan weerszijden van de Heuvelrug komt kwelwater afkomstig uit de hogere delen uit de bodem omhoog, waardoor natte randgebieden zijn ontstaan. De invloed van de Heuvelrug en de bijbehorende waterhuishouding en menselijk ingrijpen, met name afgravingen, reikt aan de oostkant tot aan de rivier de Eem en aan de westzijde tot aan de rivieren de Vecht en de Kromme Rijn. Reden waarom deze unieke randgebieden nadrukkelijk bij het Geopark Heuvelrug betrokken zijn.

Aardkundige waarde
Stuwwallen
In Nederland hebben we van doen met relatief imposante stuwwallen, omdat het landijs er dikke pakketten (rivier)afzettingen over grote afstand voor zich uit en opzij kon schuiven. Mogelijk verklaart dit het merkwaardige fenomeen dat de meeste stuwwallen van Centraal en Oost Nederland zijn omgeven door brede lage terrassen. Enkele van die stuwwalzoomterrassen bleken geheel door het landijs te zijn gevormd. Gezien hun samenstelling bij het aardoppervlak lijken een aantal andere uit smeltwater- en/of windafzettingen te bestaan. Er moet dan echter rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat ze op stuwwalterrassen werden gevormd. In dat geval hebben we dus van doen met een geërfd reliëf.

De stuwwalzoomterrassen van de Utrechtse Heuvelrug behoren tot de grootste van ons land. Bovendien onderscheiden zij zich door de aanwezigheid van enkele reeksen bekkens.
Kenmerkend voor de sterk geaccidenteerde delen van de Centraal- en Oost Nederlandse stuwwallen zijn hun rijkdom en verscheidenheid aan kleinere reliëfvormen. De aanwezigheid van reeksen kommetjes valt daarbij het meest op.  Waar veel kleinere geofenomenen voorkomen is de informatiewaarde van het stuwallenreliëf groot en verdient het meer belangstelling van de geowetenschappers dan het kreeg.

Een groot deel van de kleinere reliëfvormen zal pas in of na de laatste ijstijd zijn gevormd.  Bij de interpretatie van het reliëf uit de laatste ijstijd moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat Nederland toen een of meer malen tussen twee verder zuidwaarts opgedrongen ijstongen lag. Dat was ongetwijfeld van grote invloed  op het klimaat in de zomer en op de geomorfologische processen.

Lees verder
–   De landschappelijke geowaarden van stuwwallen.

De natte Randgebieden
Het Geoparkgebied kent in het westen zo’n 28 molens en 36 gemalen en in het oosten 5 molens en 9 gemalen, dit alles om de natte randgebieden van de heuvelrug te beheren.


Bekijk eerst eens de Powerpoint presentatie
De rol van water en een droge stuwwal
op en naast de Heuvelrug en de invloed daarvan op het gebied,
van prof.dr.ir. PFM (Piet) Verdonschot, Wageningen University & Research.

Het gebied kent drie waterrijke flanken:
–   de westelijke flank, de Vechtstreek
–   de zuidelijke flank, het Kromme Rijn en Lek gebied
–   de oostelijke flank, het Grebbeliniegebied

De Vechtstreek
Het landschap van de Vechtstreek is jong, zeer jong voor geologische begrippen, amper 10.000 jaar oud. Na de laatste ijstijd werd het warmer, smolten wereldwijd de ijskappen en steeg het zeeniveau. Op de grens van zee en land, waar Rijn, Maas en Schelde hun sedimentrijke water naar zee brachten, ontstond de Nederlandse Delta, waar de Vechtstreek deel van uitmaakt. Het landschap van de Vechtstreek is gevarieerd. De Vecht met zijn buitens en zware geboomte en aan weerszijde de uitgebreide veenweiden en plassen, in het oosten begrensd door de hogere zandgronden van de Heuvelrug en ‘t Gooi en in het westen eindigend in de diepe droogmakerijen van het Groene Hart. Dit cultuurlandschap ontstond pas in de laatste 1.000 jaar door het ingrijpen van de mens in de natuur.

De geschiedenis van de Vechtstreek begint eerder. De ondergrond bestaat uit zand en is gevormd tijdens de Pleistocene ijstijden. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (350.000- 130.000 jaar geleden), was de helft van Nederland bedekt met een dikke laag landijs. Aan hun front duwden de gletsjers de bodem omhoog, waardoor de stuwwallen van ’t Gooi en de Heuvelrug ontstonden.

Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht

Rond 3500 jaar geleden bestond het Vechtlandschap uit een 6 km breed dal, het ‘Vechtdal’, met meren en een vlechtwerk van veenriviertjes te midden van twee grote veenmosveengebieden: in het westen, de Ronde Venen, het klassieke voorbeeld van een veenkoepel met afvoerende veenriviertjes als de Kromme Mijdrecht, de Waver en de Angstel en in het oosten, tegen de Heuvelrug aan, een langgerekte veenrug, de ‘Stichtse Venen’, die zijn water via o.a. de Drecht en de Vecht loosde op het Oer-IJ. De Oude Rijn was duizenden jaren de belangrijkste noordelijke arm van de Rijn.

Voor meer informatie, ga naar Gebieden/Vecht en Plassen.

Kromme Rijn en Lekgebied
Karakteristiek
Tussen twee landschappen slingert de onbedijkte Kromme Rijn. Deze rivier vormde de noordgrens van het Romeinse Rijk (Limes) en was in de vroege middeleeuwen de transportader tussen de handelsplaats Dorestad en de bisschopsstad Utrecht. Ten zuiden van de Kromme Rijn bevindt zich op de hogere fossiele stroomrugstelsels van de Rijn het oude akkerbouw gebied. Kenmerkend zijn hier de verspreid gelegen hoeven met blokverkavelingen op de stroomruggen. Bochtige rest geulen, wegenpatronen en dwarskaden geven er een eigen structuur aan. Tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht liggen in de binnenbochten van de Kromme Rijn enkele vroegmiddeleeuwse brinkdorpen. De vele archeologische vindplaatsen onderstrepen de intensieve bewoning, die hier al vroeg heeft plaats gevonden. Ten noorden van de Kromme Rijn strekt zich het lage, twaalfdeeeuwse copelandschap van Langbroek uit. Uniek voor de provincie en voor ons land is de hoge concentratie van middeleeuwse ridderhofsteden langs het half open boerderijenlint van de Langbroekerwetering. Griendcultuur en parkbossen binnen de perceelstroken hebben dit gebied tot een regelmatig coulissenlandschap gemaakt, dat in het noorden overgaat in de hogere bosstrook van de Heuvelrug. In deze gradiëntzone liggen tussen de dorpsranden diverse buitenplaatsen. Tussen Doorn en Amerongen vinden we een bijzonder kampenlandschap: door houtwallen omzoomde oude bouwlanden in een onregelmatig blokvormig patroon. Tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen loopt de Lekdijk als ontginningsas met een gaaf open boerderijlint onder aan de dijk. Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht

De geostructuur van het gebied
Oostelijk van de lijn Utrecht-Nieuwegein is het rivierengebied in de provincie Utrecht een vrijwel driehoekig gebied dat door de Utrechtse Heuvelrug en Lek wordt begrensd. Evenals elders hebben de grote rivieren er meermalen hun loop verlegd.

Zo’n zesduizend jaar geleden was het gebied nog nagenoeg riviervrij. Onze grote laaglandstromen hadden destijds namelijk meer belangstelling voor de zuidelijke aangrenzende Neder Betuwe die toen overigens nog niet door de Lek werd gemarkeerd. Een kleine duizend jaar dichter bij het heden blijkt de situatie echter sterk te zijn veranderd en er een vrij brede rivier via Wijk bij Duurstede naar Utrecht te lopen. Deze rivier volgde vanaf Bunnik reeds ongeveer de loop van de Kromme Rijn terwijl ze elders iets zuidwestelijker dan laatstgenoemde rivier stroomde.

De al zo’n 5000 jaar geleden actieve rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht onderhield via twee respectievelijk bij Utrecht en ’t Goy beginnende smalle zijtakken verbindingen met Tull en ’t Waal, dat toen ook door een van Culemborg komende waterloop benaderd werd. De geschetste situatie bleef honderden jaren vrij stabiel. Wel zou op een gegeven moment de smalle waterloop Culemborg -Tull en ’t Waal verdwijnen. De vrij brede rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht kreeg bij Cothen toen een nieuwe zijtak, die verbinding legde met de omgeving van Culemborg.

Omstreeks 4000 jaar geleden kregen ingrijpender veranderingen hun beslag en verdwijnen de drie kleine zijtakken. Even voor ’t Goy gaat de rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht dan tot bij Bunnik ook een nevenbedding volgen. Vanuit deze nevenbedding ontstaat in de buurt van Houten een nieuwe rivierarm die al spoedig vrij breed wordt. Via een opmerkelijk bochtig tracé zocht ze zich een weg in de richting van Montfoort.
Enkele kilometers zuidwestelijker gaan intussen een rivierarm langs Culemborg en Vianen stromen. Deze stroom liep beneden Culemborg over een afstand van ruim 5 kilometer over het grondgebied van de provincie Utrecht. Ze volgde daarbij ongeveer het tracé van de waterloop die daar zo’n duizend jaar eerder had gelopen.

De nevengeul van ’t Goy heeft na verloop van tijd de taak van het riviergedeelte dat ze beconcurreerde geheel overgenomen. Tegen het begin van onze jaartelling is er opnieuw sprake van betekenende veranderingen.
Grotendeels ter plaatse van de huidige Kromme Rijn ontstaat dan namelijk een nieuwe nevengeul die zich pas ten zuidoosten van Utrecht weer bij de hoofdstroom voegt.

Zowel de nieuwe nevenbedding als de hoofdstroom gingen bij het samenvloeiingspunt nogal meanderen. Even voor Utrecht impliceerde dit een uitbuiging van het daar enkelvoudige riviertracé naar het zuiden.
Terwijl de rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht zich grotendeels verdubbelde, verdween de zijtak Houten – Montfoort weer, terwijl de rivierarm die langs Culemborg en Vianen liep meer en meer het  tracé van de huidige Lek ging volgen.

Ook na het begin van onze jaartelling wijzigt de loop van de grote rivieren zich nog een keer. Het systeem Wijk bij Duurstede – Utrecht wordt dan namelijk een enkelvoudige stroom die bij Bunnik tijdelijk een grote bocht naar het noorden maakt. Het gedrag van onze laaglandstromen zal dan sterk door de mens beïnvloed worden.

Voor meer informatie, lees De Kromme Rijnstreek en omgeving
en ga naar
Gebieden/Lek en Kromme Rijn gebied.

Het Grebbeliniegebied

De Grebbelinie is een in noord-zuidrichting lopende verdedigingslinie in de Gelderse Vallei tussen de Nederrijn en het Eemmeer. Het is een waterlinie die in de tweede helft van de 18de eeuw is aangelegd ter verdediging tegen de vijand uit het oosten. Kort voor de hevige gevechten begin mei 1940 is de linie nog verbeterd met meer dan honderd betonnen kazematten, talrijke veldversterkingen en loopgraven. Na de opheffing als verdedigingslinie in 1951, zijn delen van de liniewal afgegraven en de aardwerken overwoekerd. De belangrijkste sluizen zijn nog aanwezig en gerestaureerd. Een enkel aardwerk is gereconstrueerd. Tegenwoordig manifesteert de Grebbelinie zich als een groen lint door het landschap. In de Grebbelinie worden de Eemdijk in het noorden en de rand van de Heuvelrug in het zuiden als natuurlijke barrières benut om de oostelijk gelegen gebieden bij oorlogsdreiging onder water te kunnen zetten. Tussen Amersfoort en Veenendaal is een 25 kilometer lange liniewal opgeworpen waarlangs tussen 1937 en 1940 het Valleikanaal is aangelegd. De Grebbesluis bij Rhenen zorgde voor de inlaat van het inundatiewater uit de Nederrijn. Daarnaast benutte men ook de Gelderse beken voor de inundaties. De schutsluis bij Spakenburg zorgde voor de inundatie van het noordelijke deel, mocht er onvoldoende water in de Nederrijn zijn. De Slaperdijk ter weerszijden van de Emmikhuizerberg diende als kering van het noordelijke en zuidelijke water. Om het water te kunnen vasthouden, zijn dwars op de linie aan de oostzijde keerkaden opgeworpen. Deze kaden verdelen het inundatiegebied in elf kommen. Een twintigtal damsluizen in de keerkaden regelden de inundaties van de kommen. Ter verdediging van de sluizen en de keerkaden zijn diverse aarden forten, voorposten en schansen aangelegd, vooral rond de Slaperdijk. Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht           

De uitdaging
Zuinig zijn met manschappen en middelen stond centraal bij de aanleg van de waterlinies. Zo veel mogelijke benutting van de terreingesteldheid en de aanwezige landinrichting vormde het uitgangspunt. De Grebbelinie is daar een goed voorbeeld van. Hier was Nederland, dat wil zeggen het economisch hart Holland, letterlijk op zijn smalst: vijftig kilometer tussen Zuiderzee en Nederrijn. Tussen deze natuurlijke barrières was de Gelderse Vallei als drassige laagte de aangewezen plek voor een waterlinie. Het grootste probleem was echter het wisselende waterpeil van de rivier. In het zuiden zorgde de Nederrijn altijd al voor overstromingen van de lage veengronden onder Veenendaal, waarbij de hogere rand van de Heuvelrug de natuurlijke westgrens van het water vormde. De Nederrijn was de voornaamste leverancier van water via een sluis in de Grebbe. Hier kwam het veenriviertje de Kromme Eem uit, dat 1473-1477 werd gekanaliseerd en vervolgens in 1485 werd verlengd als Bisschop Davidsgrift tot de Emmikhuizerberg. De daar in 1652 aangelegde Slaperdijk werd handig benut als keerkade en begrenzing voor de grote Veensekom, een inundatiegebied waarvoor de Fransen en later zelfs de Duitsers groot ontzag hadden. De enige ingreep die men voor deze kom moest doen was de bescherming van de Grebbesluis en het acces van de Grebbedijk met uitgebreide verdedigingswerken. Als gevolg van gestage daling van de veengronden kwam het kleigebied van de Nederrijn hoger te liggen (7 meter boven NAP), waardoor een acces ontstond. In het noorden was het lage kleigebied van de Eempolder van oudsher overstromingsgebied van de Zuiderzee. Voor deze zogeheten Bunschoterkom werd de laatmiddeleeuwse Eemdijk benut als waterkering. Het inundatiegebied reikte tot de dekzandgronden van Hoogland ten noorden van Amersfoort en in het oosten tot de Laak. Ook voor deze kom volstonden enkele verdedigingswerken: bij de spuisluis te Spakenburg en de Oostdijk als belangrijkste acces. Voor het centrale, tussenliggende deel van de Grebbelinie, het dekzandgebied tussen Amersfoort en Veenendaal, waren meer ingrepen noodzakelijk. Hier moest het oost-west lopende bekenstelsel, in het bijzonder de Lunterse Beek, voor inundatiewater zorgen. Een natuurlijke, doorlopende waterkering zoals een rivier (Eem) of een hoogte (Heuvelrug) was hier niet aanwezig. De doorlopende Woudenbergse Grift was geen optie, want deze was al in 1590 definitief afgedamd. Bovendien zouden de ontginningen en de grote buitens van Leusden en Woudenberg dan opgeofferd moeten worden. Gekozen werd voor de aanleg van een doorlopende liniewal. Deze ruim 25 kilometer lange aarden wal kwam zoveel mogelijk langs de bestaande waterlopen en wegen te liggen: langs de Zwarteweg achter de Modderbeek boven Leusden, langs de Moorster Beek, de Lunterse Beek en de Broeksloot tot de Slaperdijk. Alleen tussen de Moorsterbeek bij Leusden en de Lunterse Beek bij de Nattegatsloot volgde de linie een eigen, drie kilometer lang tracé. Ook aan den oostzijde van Amersfoort werd bij de uitbreiding van de linie een nieuw tracé voor de wal uitgezet. Ten oosten van de liniewal stond de grens van de onder water te zetten gebieden niet vast; deze was bij inundatie afhankelijk van de watertoevoer. Zonder extra maatregelen zou door het noordwaarts aflopende hoogteverschil van ruim zes meter het inundatiewater richting Amersfoort wegstromen. De aanleg van keerkades dwars op de liniewal moest voor het vasthouden van het water zorgen. Afhankelijk van de breedte van het te stellen inundatiegebied varieerden deze keerkaden in lengte van 100 meter (Glashutterkade) tot 2.500 meter (Groeperkade). De kades hadden een kruinbreedte van drie meter en waren één tot anderhalve meter hoog. Damsluizen, duikersluizen en stuwen regelden het peil in de kommen. Tussen de Slaperdijk als meest zuidelijke en de Vuydijk als meest noordelijke keerkade werd het niveauverschil overbrugd met negen kommen.
Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht

Natuur
De Heuvelrug karakteriseert zich door water in het noord-westelijke deel, het reliëf van Gooimeer tot Rijn, de ondergrond bestaande uit zand en grind, heidevelden in het noordelijke deel, zandverstuivingen in het midden en veel uitgestrekte bossen in het midden en zuidelijke deel. De Utrechtse Heuvelrug is een in geologisch en ecologisch opzicht zeer waardevol gebied en combineert drie eigenschappen die in Nederland schaars zijn: water, reliëf en uitgestrekte bossen.

Zoogdieren die in het nationaal park leven zijn onder meer het ree, de vos, de das en de zeldzame boommarter. Het streven is om, door het maken van ecologische verbindingszones, het gebied ook voor grotere zoogdieren, zoals het edelhert en everzwijn geschikt te maken. Aaneengesloten natuurgebieden, zo is de gedachte, herbergen méér planten- en diersoorten dan kleinere, of versnipperde gebieden omdat ze grotere overlevingskansen bieden. Door de aanleg van ecoducten en faunatunnels en door het plaatselijk verwijderen van afrasteringen wordt geprobeerd de doorsnijdingen van het gebied ongedaan te maken.

Cultuur
Oudere en jongere tijdslagen liggen in de Heuvelrug dwars over elkaar heen: van prehistorische akkers en grafheuvels tot ultramoderne landbouwgebieden en toekomst voorspellende instellingen als het RIVM en het KNMI.Van oudsher is de Heuvelrug een gebied van boeren, burgers en buitenlui. Een gebied vol boerderijen, landgoederen en zelfs tabaksplantages. Maar ook een gebied vol kastelen en buitenplaatsen.Ook de Koningen van Nederland bouwden in dit gebied hun paleizen. Zij bouwden er in de 17e eeuw hun eerste grote buitenhuizen zoals kasteel Amerongen, het jachtpaleis Soestdijk en Slot Zeist. En als de ‘mode’ veranderde, werd het uiterlijk van het huis en de aanleg van de tuinen simpelweg aangepast.En dat typeert de Heuvelrug. De mens zette hier zijn omgeving voortdurend weer naar zijn hand. Verdeeld over de Heuvelrug liggen honderden kastelen, versterkte huizen en historische buitenplaatsen.De Heuvelrug kent de grootste dichtheid aan buitenplaatsen van Nederland, volgens sommigen zelfs meer dan er langs de Loire in Frankrijk te vinden zijn. De meeste van deze prachtige gebouwen met bijbehorende tuinen, bossen en landerijen liggen in gordels dicht bij elkaar. Veel zijn openbaar toegankelijk.Bekend zijn de buitenplaatsen van de Stichtse Lustwarande tussen Utrecht en Rhenen en de vele buitens langs de rivier de Vecht en rondom ’s-Graveland.Ook de Langbroekerwetering kent haar buitenplaatsen en langs de door Jacob van Campen in 1647 ontworpen ‘Wegh der Weegen’ tussen Utrecht en Amersfoort ook de nodige buitenhuizen.Deze ‘landgoederenzone’ ziet er door toevoegingen uit latere jaren weer heel anders uit dan alle andere zones. En die variatie maakt het juist zo uniek.

Recreatie
Binnen het beoogde Nationaal Park Heuvelrug is veel ruimte voor rustige vormen van recreatie. Er is een goed netwerk van wandel-, fiets- en paardenroutes. Die routes zijn geconcentreerd aan de zuidkant van het Nationale Park. Daar liggen de meeste dorpen. Centraal op de Heuvelrug zijn minder routes en recreatieve voorzieningen. Deze zonering betekent dat het middengebied een rustgebied voor dieren blijft. Er kan gewandeld worden in een stille omgeving. Jaarlijks bezoeken meer dan een miljoen mensen het Nationaal Park Heuvelrug.

Een biografie van Geopark Heuvelrug
Voor een wat meer uitgebreide beschrijving van het geoparkgebied, klik hier.

Nationaal Park Heuvelrug
Het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug beslaat het zuidoostelijke deel van de Utrechtse Heuvelrug en omvat een veelheid van landschapsvormen, waarvan de stuwwal de meest in het oog springende is. Het is een grotendeels heuvelachtig gebied dat bestaat uit bos, heide, zandverstuivingen en grasland. Het Nationaal Park bestaat sinds 2003. In 2013 werd het aanzienlijk uitgebreid van ca. 6.000 hectare naar ca. 10.000 hectare. Vanaf dat moment is ook het gebied tussen A12 en A28 deel van het Nationaal Park. De Leusderheide, de bossen van Zeist en Austerlitz, de landgoederen Bornia, Noordhout en Den Treek-Henschoten kwamen binnen het Nationaal Park te liggen.

De instelling van het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug was bedoeld om het gebied te beschermen tegen de vaak sluipende bedreigingen van verstedelijking en versnippering. Het nationaal park heeft geen planologische status en kan dus niets afdwingen. Maar door het versterken van het “collectieve bewustzijn van het belang van een aaneengesloten natuurgebied en door samenwerking van alle betrokkenen” kan gewaakt worden voor verdere teloorgang.

Inmiddels wordt tevens gewerkt aan de realisatie van het Nationaal Park Heuvelrug, strekkend van het Gooimeer tot aan de Rijn, inclusief de natte randgebieden. Het beoogde Geopark richt zich op hetzelfde gebied, omdat juist dat hele gebied, met de onderlinge samenhangende deelgebieden, zowel qua ontstaansgeschiedenis als qua huidige situatie, een compleet en internationaal bijzondere eenheid vormt. De totale omvang van het beoogde Geopark is ca 100.000 ha.    

Beleid provincies m.b.t. aardkundige waarden en monumenten
Er is geen landelijke wetgeving met betrekking tot aardkundige waarden. Sommige provincies hebben hun ambities ten aanzien van aardkundige waarden opgenomen in een structuurvisie, streekplan, Provinciale omgevingsverordening (POV) of iets dergelijks. Deze invulling verschilt dus per provincie. Ook op gemeentelijk niveau wordt vaak een eigen invulling gegeven aan de provinciale ambities. Zie verder …

 

Share Button