Lek en Kromme Rijn gebied


bijgewerkt 17-03-2018

Karakteristiek
Tussen twee landschappen slingert de onbedijkte Kromme Rijn. Deze rivier vormde de noordgrens van het Romeinse Rijk (Limes) en was in de vroege middeleeuwen de transportader tussen de handelsplaats Dorestad en de bisschopsstad Utrecht. Ten zuiden van de Kromme Rijn bevindt zich op de hogere fossiele stroomrugstelsels van de Rijn het oude akkerbouw gebied. Kenmerkend zijn hier de verspreid gelegen hoeven met blokverkavelingen op de stroomruggen. Bochtige rest geulen, wegenpatronen en dwarskaden geven er een eigen structuur aan. Tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht liggen in de binnenbochten van de Kromme Rijn enkele vroegmiddeleeuwse brinkdorpen. De vele archeologische vindplaatsen onderstrepen de intensieve bewoning, die hier al vroeg heeft plaats gevonden. Ten noorden van de Kromme Rijn strekt zich het lage, twaalfdeeeuwse copelandschap van Langbroek uit. Uniek voor de provincie en voor ons land is de hoge concentratie van middeleeuwse ridderhofsteden langs het half open boerderijenlint van de Langbroekerwetering. Griendcultuur en parkbossen binnen de perceelstroken hebben dit gebied tot een regelmatig coulissenlandschap gemaakt, dat in het noorden overgaat in de hogere bosstrook van de Heuvelrug. In deze gradiëntzone liggen tussen de dorpsranden diverse buitenplaatsen. Tussen Doorn en Amerongen vinden we een bijzonder kampenlandschap: door houtwallen omzoomde oude bouwlanden in een onregelmatig blokvormig patroon. Tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen loopt de Lekdijk als ontginningsas met een gaaf open boerderijlint onder aan de dijk. Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht

De geostructuur van het gebied
Oostelijk van de lijn Utrecht-Nieuwegein is het rivierengebied in de provincie Utrecht een vrijwel driehoekig gebied dat door de Utrechtse Heuvelrug en Lek wordt begrensd. Evenals elders hebben de grote rivieren er meermalen hun loop verlegd.

Zo’n zesduizend jaar geleden was het gebied nog nagenoeg riviervrij. Onze grote laaglandstromen hadden destijds namelijk meer belangstelling voor de zuidelijke aangrenzende Neder Betuwe die toen overigens nog niet door de Lek werd gemarkeerd. Een kleine duizend jaar dichter bij het heden blijkt de situatie echter sterk te zijn veranderd en er een vrij brede rivier via Wijk bij Duurstede naar Utrecht te lopen. Deze rivier volgde vanaf Bunnik reeds ongeveer de loop van de Kromme Rijn terwijl ze elders iets zuidwestelijker dan laatstgenoemde rivier stroomde.

De al zo’n 5000 jaar geleden actieve rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht onderhield via twee respectievelijk bij Utrecht en ’t Goy beginnende smalle zijtakken verbindingen met Tull en ’t Waal, dat toen ook door een van Culemborg komende waterloop benaderd werd. De geschetste situatie bleef honderden jaren vrij stabiel. Wel zou op een gegeven moment de smalle waterloop Culemborg -Tull en ’t Waal verdwijnen. De vrij brede rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht kreeg bij Cothen toen een nieuwe zijtak, die verbinding legde met de omgeving van Culemborg.

Omstreeks 4000 jaar geleden kregen ingrijpender veranderingen hun beslag en verdwijnen de drie kleine zijtakken. Even voor ’t Goy gaat de rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht dan tot bij Bunnik ook een nevenbedding volgen. Vanuit deze nevenbedding ontstaat in de buurt van Houten een nieuwe rivierarm die al spoedig vrij breed wordt. Via een opmerkelijk bochtig tracé zocht ze zich een weg in de richting van Montfoort.
Enkele kilometers zuidwestelijker gaan intussen een rivierarm langs Culemborg en Vianen stromen. Deze stroom liep beneden Culemborg over een afstand van ruim 5 kilometer over het grondgebied van de provincie Utrecht. Ze volgde daarbij ongeveer het tracé van de waterloop die daar zo’n duizend jaar eerder had gelopen.

De nevengeul van ’t Goy heeft na verloop van tijd de taak van het riviergedeelte dat ze beconcurreerde geheel overgenomen. Tegen het begin van onze jaartelling is er opnieuw sprake van betekenende veranderingen.
Grotendeels ter plaatse van de huidige Kromme Rijn ontstaat dan namelijk een nieuwe nevengeul die zich pas ten zuidoosten van Utrecht weer bij de hoofdstroom voegt.

Zowel de nieuwe nevenbedding als de hoofdstroom gingen bij het samenvloeiingspunt nogal meanderen. Even voor Utrecht impliceerde dit een uitbuiging van het daar enkelvoudige riviertracé naar het zuiden.
Terwijl de rivierarm Wijk bij Duurstede – Utrecht zich grotendeels verdubbelde, verdween de zijtak Houten – Montfoort weer, terwijl de rivierarm die langs Culemborg en Vianen liep meer en meer het  tracé van de huidige Lek ging volgen.

Ook na het begin van onze jaartelling wijzigt de loop van de grote rivieren zich nog een keer. Het systeem Wijk bij Duurstede – Utrecht wordt dan namelijk een enkelvoudige stroom die bij Bunnik tijdelijk een grote bocht naar het noorden maakt. Het gedrag van onze laaglandstromen zal dan sterk door de mens beïnvloed worden.

Voor meer informatie, lees De Kromme Rijnstreek en omgeving

Aardkundige waarden 
De Kromme Rijn is vermoedelijk rond het jaar 1000 v.Chr. ontstaan en was ooit de belangrijkste aftakking van de Rijn naar de Noordzee. Sinds de jaartelling begon de Lek echter een steeds belangrijkere rol te spelen. Het afdammen van de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede in 1122 (in opdracht van de Utrechtse bisschop Godebald) betekende het einde van deze rivier als afvoer van Rijnwater. Ten tijde van de afdamming was de Kromme Rijn ongeveer 100 meter breed. De oudste vermelding van de naam Kromme Rijn dateert uit de 16de eeuw.

De ontstaansgeschiedenis van dit gebied hangt nauw samen met zich steeds verleggende, vrij meanderende Rijnlopen. Door veelvuldige overstromingen ontstond een patroon van zandige oeverwallen en komgronden van zware klei. De oeverwallen zijn al sinds de bronstijd bewoond. De ontginningen van de oeverwallen zijn blokvormig. De laaggelegen komgronden konden pas na afdamming van de Kromme Rijn worden ontgonnen, deze zijn langwerpig. De natte komgronden waren voornamelijk in beheer als hooiland, hakhout en griend, de vruchtbare hogergelegen oeverwallen als akker.

De Kromme Rijn was onderdeel van de Romeinse Limes. In de 7de eeuw ontstond op de westoever van de Kromme Rijn de belangrijke handelsplaats Dorestad (bij het huidige Wijk bij Duurstede). (Onder meer) Vikingen, verzanding en/of kerkpolitieke (de bisschop van Utrecht) redenen waren waarschijnlijk verantwoordelijk voor de teloorgang van deze plaats.

Na de afdamming van de Kromme Rijn in 1122 is deze rivier tweemaal verruimd. Eenmaal in de 19de eeuw ten behoeve van militaire inundaties, als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, en eenmaal in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In de jaren zeventig werd het profiel zelfs verruimd voor een afvoer van 25 m³/s. In de 19de eeuw is de Kromme Rijn gedeeltelijk gekanaliseerd.

De Kromme Rijn wordt van oudsher gevoed door twee verschillende soorten water. Kalkrijk, hard en voedselrijk rivierwater (de Nederrijn) ingelaten bij Wijk bij Duurstede en het zwakzure tot matig kalkrijke, voedselarme grondwater afkomstig van de hogere zandgronden en de komgronden.

Voor meer details, zie verder:
–   Geowaarden
–   Geowaarden ondergrond

In het gebied zijn de volgende GeoSites aanwezig en heeft de provincie het volgende aardkundige monument benoemd:
–   Niënhof en Oostbroek

 

Overige informatie
De volgende presentaties, artikelen en websites bieden interessante aanvullende informatie over …
aardkundige waarden
–   

natuur

cultuur

Share Button