Landschappelijke Ontwikkelingen

bijgewerkt 07-12-2018

ACTUELE LANDSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN IN MIDDEN NEDERLAND

05-12-2018
Wie zijn kop nu in het zand steekt, moet hem straks uit het water halen.
NRC

plaatje uit artikel Mediametic, Amersfoort aan zee.
In Nederland denken we bedwingers van het water te zijn, schrijven . „Waarom redden we het in de toekomst niet met alleen hogere dijken en een extra waterkering bij Rotterdam?” zie verder ...

30-11-2018
4000 jaar oude stroomgeul hersteld op het Vikinghof
Utrechts Landschap
Op het Vikinghof bij Wijk bij Duurstede is herstelbeheer uitgevoerd om een 4000 jaar oude stroomgeul te herstellen. De stroomgeul was deels begroeid geraakt met jonge bomen. Door dit weer open te maken komt dit bijzondere stukje landschap beter naar voren in het landschap. Ook biedt dit extra groeiruimte voor bijzondere planten en korstmossen die al in het open deel van de oude stroomgeul voorkwamen.

Het Vikinghof vormt een onderdeel van het Kromme Rijn gebied. Een landschap dat is ontstaan onder invloed van rivieren in de afgelopen paar duizend jaar. Op het Vikinghof is dat nog goed te zien aan de hand van een stroomgeul die ruim vierduizend jaar geleden is ontstaan. Waar ooit water liep is nu een droge rivierbedding te vinden met grindhoudend zand. Een perfect biotoop voor een aantal bijzondere korstmossen en planten zoals rood guichelheil, zandhoornbloem en de zeldzame rotsooievaarsbek. Insecten vinden hier voedsel, warmen er op in de zon of nestelen er in het zand.
zie verder ...

05-04-2018
TELLURIS
Mens veroorzaakte van meet af aan onze zandverstuivingen
De recente onderzoekingen in de laagte van het Larense Wasmeer leidden tot de conclusie dat de zandverstuivingen die sinds de laatste ijstijd mogelijk werden van meet af aan moeten zijn veroorzaakt door de mens. Er zijn namelijk sterke aanwijzingen dat jagers en verzamelaars al bijna tienduizend jaar geleden bosbranden stichtten om de wilde zoogdieren die ze wilden bemachtigen wegvluchten te beletten. Vooral onder relatief droge klimaatomstandigheden of tijdens langdurig droog weer leidde dat branden tot een geleidelijke degeneratie van de vegetatie. En vervolgens tot het ontstaan van kale plekken waar winderosie mogelijk zou worden. Die verstuivingen ontwikkelden zich toen echter nog niet tot het grootschalige autonome proces dat ze in historische tijd eeuwenlang waren.

De latere grootschalige verstuivingen werden vooral bevorderd door ontbossingen, overbegrazing en een als gevolg daarvan winderiger worden van het microklimaat.

Een en ander betekent dat grote grazers niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor het na de laatste ijstijd locaal al weer snel ontstaan van kale plekken. Het aantal grote grazers zal toen onder nog vrijwel natuurlijke omstandigheden trouwens zijn beperkt door de roofdieren die ze bejaagden. De situatie was destijds dus niet vergelijkbaar met die in het gebied van de Oostvaardersplassen. Dat overbevolkt geraakte en kaalgevreten veekamp werd dan ook ten onrechte in een film geafficheerd als de “Nieuwe wildernis”.

Landgoed Zonnestraal bij Hilversum in andere handen
Zuidwestelijk van Hilversum wordt het natuurrijke gezondheids- en zorgcentrum Landgoed Zonnestraal overgedragen aan een nieuwe eigenaar. De bedoeling en verwachting is dat ook die het cultuurhistorisch unieke karakter ervan zal respecteren en zorgvuldig beheren. En aldus ook de beoogde succesvolle nominatie van het landgoed voor de kwalificatie Werelderfgoed zal trachten te bevorderen.

Het landgoed Zonnestraal ontstond begin vorige eeuw door aankoop van het eerder op gronden van het Loosdrechtse Bos gestichte buiten Emmikkerbos. Met de aankoop werd beoogd in een helende natuurrijke omgeving een sanatorium en nazorgcentrum te creëren voor tuberculosepatiënten. Het plan was een reactie op de ruim een eeuw geleden welhaast maatschappij ontwrichtende effecten van de ziekte tuberculose, waaraan destijds soms een derde van de bevolking stierf. Een Amsterdamse diamantfabriek creëerde toen een fonds, waaruit de aankoop van het buiten Emmikkerbos kon worden gefinancierd.

Na de aankoop werd opdracht gegeven in het bos een ziekenhuis en zorgcentrum te bouwen. Het zou worden gehuisvest in een gefaseerd gerealiseerd gebouwencomplex, dat in 1926 werd voltooid. Architect ervan was Jan Duiker. Hij ontpopte zich als een representatieve vertegenwoordiger van het toen in zwang rakende Nieuwe Bouwen. Kenmerkend voor die architectuur waren een strakke vormgeving, dominerende horizontale lijnen, witte muren, rondingen en grote raampartijen. Het ensemble door één architect in die stijl ontworpen gebouwen is mondiaal uniek. Waardoor het in aanmerking zou kunnen komen voor erkenning als “werelderfgoed” door de UNESCO. Er moet dan wel duidelijk gestreefd blijven worden naar het behoud van die uniciteit en haar kwaliteiten. In lijn met dat streven is de huidige restauratie van het Dresselhuyspaviljoen.

Het reliëfarme landgoed Zonnestraal ligt op de westflank van het Gooise heuvelland in een reeds lang geleden beboste zone. In een gidsje is een wandelroute beschreven waar een goed beeld kan worden gekregen van het unieke gebouwencomplex.

De erkenning van Zonnestraal als Werelderfgoed wordt nagestreefd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), gemeente Hilversum, huidige en “Zonnestraal Hilversum” gedoopte nieuwe eigenaar van het gebied. De huidige eigenaar is nog de woningcorporatie De Alliantie, die het landgoed in 2006 en 2008 aankocht en sindsdien verhuurde aan diverse aanbieders van medische en zorgdiensten.

De corporatie besloot het landgoed af te stoten omdat het door een recente wijziging van de Woningwet niet meer voor de hand lag het gezondheids- en zorgcentrum te blijven beheren en exploiteren.

Aanleg Amersfoortse Park Groen Elisabeth begonnen
Tussen twee zuidoostelijke Amersfoortse buitenwijken is tussen de Heiligenbergerbeek en 
-weg begonnen met de aanleg van een stadspark. Het werd genoemd naar het in de zestiger jaren gebouwde Elisabethsziekenhuis dat er thans gesloopt wordt. Voor de bouw van dat ziekenhuis was het verscheidene hectaren grote terrein waar het kwam te staan vrijwel geheel geëgaliseerd. Daarbij werd ook een van de vrij hoge oude rivierduinen geslecht die omstreeks het eind van de laatste ijstijd langs de noordoostzijde van het beekdal waren ontstaan.

De sloop van het ziekenhuis werd mogelijk door de verplaatsing ervan naar een terrein bij de noordelijke wijken van Amersfoort. Daarheen verhuisde trouwens ook het ziekenhuis van het Amersfoortse Bergkwartier.

Aanvankelijk werd voorgesteld om op het door de sloop vrijkomende terrein een groot aantal landhuizen te bouwen. Dat genereerde echter de nodige maatschappelijke weerstand. Die leidde uiteindelijk tot de afspraak dat van de herbebouwing zou worden afgezien als berust werd in de aanleg van een westelijke randweg. Die aanleg zou later echter nog wel -vergeefs- worden aangevochten bij de Raad van State.

De sloop van het Elisabethsziekenhuis is inmiddels zo ver gevorderd, dat begonnen kon worden met de inrichten van het zuidelijk deel van het park. Vanwege de grote interesse van de omwonenden voor de wijze waarop dat zou gebeuren werd die herinrichting van de voormalige ziekenhuislocatie met vertegenwoordigers daarvan voorbereid. Het uiteindelijk resultaat was een plan dat voorziet in het herstel van het vroegere karakter van het gebied. In verband hiermee wordt aan de oostkant van het dal weer een asymmetrisch “rivierduin” gebouwd. Dat gebeurt met de grond waarmee de dalbodem bij de beek voor de bouw van het ziekenhuis was opgehoogd. Aldus ontstaat langs de beek weer een vochtige zone. Daar is een broekbos gepland dat door een vlonderpad zal worden ontsloten. Oostelijk van het broekbos werd de overgang naar de hogere terreingedeelten gereserveerd voor bloemrijk grasland. Twee relatief hoog gelegen plekken zullen worden bekleed met een daar van nature thuishorend bostype. Door beide kleine bossen wordt een wandelpad aangelegd.

Tussen de twee bossen blijven het bij de Heiligenbergerweg gelegen ketelhuis van het ziekenhuis en een erbij horende schoorsteen sloop bespaard. Het ketelhuis is bestemd voor de huisvesting van een sociale onderneming. Die mag ook gebruik gaan maken van een bij het gebouw voor zogenaamde nutstuinen gereserveerde strook.

Er wordt naar gestreefd het park eind volgend jaar te voltooien. De natuurrijke zone bij de Heiligenbergerbeek zal dan weer een meer samenhangend geheel zijn geworden. Dat is ecologisch en recreatief vooral van belang doordat het park pal ten zuidoosten van het bos- en reliëfrijke park van het voormalige buiten Randenbroek komt te liggen.

Henschotermeer bij Maarn niet meer vrij toegankelijk
De noordelijk van Maarn gelegen omstrande recreatievijver Henschotermeer en zijn bosrijke naaste omgeving zullen binnenkort alleen nog tegen betaling bezocht kunnen worden. Dat houdt verband met de overdracht van het gebied aan een particuliere onderneming die wordt geacht de voorziening zonder subsidie in stand te houden en te beheren. Een en ander is een uitvloeisel van de recente opheffing van het recreatieschap dat jarenlang verantwoordelijk was voor het beheer van het waterrijke gebied.

De ondernemer die het beheer van het gebied overnam zag zich helaas genoodzaakt de voorziening door de bezoekers ervan te laten financieren. En ook het gebruik van de erbij gelegen parkeerterreinen te gaan beprijzen. Vanwege de beoogde heffing van toegangsprijzen wordt het recreatieterrein omrasterd en het aantal ingangen ervan verminderd tot twee.

De beprijzing van de toegankelijkheid zou kunnen leiden tot een substantiële daling van het aantal bezoekers van het recreatieterrein. Dat lijkt echter te kunnen worden beperkt door het creëren van enkele nieuwe voorzieningen. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het uitbreiden van de recreatiemogelijkheden met een kinderboerderij en het inrichten van een klim- en klauterbos. Ook is het de bedoeling een educatief pad aan te leggen. Bovendien zullen buiten het strand- en waterrecreatieseizoen mogelijk geen toegangsprijzen worden gevraagd voor het gebruik van de nieuwe voorzieningen.

In het kader van het bosbeheer worden intussen een aantal onderaan kaal geworden oude douglassparren vervangen door inheemse boomsoorten.

Het zal duidelijk zijn dat de geschetste ontwikkelingen niet door iedereen worden toegejuicht en aanleiding geven tot discussies.

Nieuwe expositieruimte in voormalige raadhuis Maarn
Sinds 2006 maakt het grondgebied van de voormalige gemeente Maarn-Maarsbergen deel uit van de aanmerkelijk grotere bestuurlijke eenheid Utrechtse Heuvelrug. Omdat het gemeentehuis daarvan in Doorn kwam te staan kon dat van Maarn-Maarsbergen worden afgestoten. Veel inwoners zouden echter graag zien dat met name het in 1925 ontworpen,  als Rijksmonument geklasseerde oudste gedeelte van het Maarnse raadhuis beschikbaar zou komen en blijven voor gebruik door de samenleving. Om dit te kunnen bevorderen werd in november 2014 de Stichting Vrienden Raadhuis Maarn (SVRM) opgericht. Die organisatie streefde voor het verwezenlijken van haar doelstelling zelfs naar aankoop van het monumentale deel van het gebouw. Dankzij donateurs en sponsors slaagde zij daar na anderhalf jaar ook in, terwijl de rest van het voormalige raadhuis inmiddels deels het domicilie werd van een kleinschalige zorginstelling voor dementerende bejaarden.

Na de aankoop verzocht de SVRM de Cultuurhistorische Commissie (CHC) van Maarn-Maarsbergen Natuurlijk een deel van de zolder te gaan gebruiken voor een expositie over de geschiedenis van Maarn en Maarsbergen. De CHC stemde hiermee in. Om de zolder geschikt te maken voor expositiedoeleinden moest die echter wel eerst grondig worden gerenoveerd.

Onder de zolder werden de voormalige burgemeesterskamer en raadzaal opgeknapt. Het is de bedoeling dat die gebruikt gaan worden voor vergaderingen en (trouw)feesten.
Het souterrain van het raadhuis werd overgenomen door een architectenbureau.

De ligging van het voormalige gemeentehuis tegenover een NS-station vergroot de betekenis van de mogelijkheid er nu exposities over het verleden van Maarn en Maarsbergen te bezoeken. Vooral als de nieuwe expositie ook gaat informeren over de kwaliteiten van de omgeving die verband houden met de ligging van Maarn in een potentieel geopark.

Nieuwe nevengeul Palmerswaard bij Rhenen al een vissenparadijs
Bij een recente inventarisatie door de organisatie RAVON is gebleken dat een onlangs in de Palmerswaard bij Rhenen gegraven nevengeul al grote aantrekkingskracht uitoefent op (rivier)vissen en die er zich door maar liefst 20 soorten lieten vertegenwoordigen. Daarbij werden zelfs de zeldzame en bedreigde sneep en serpeling gesignaleerd. Aldus is weer eens geconstateerd dat de nevengeulen van de uiterwaarden substantieel bijdragen aan het behoud van een soortenrijke visstand. Dat houdt verband met hun visvriendelijke leefmilieu: Het rivierwater houdt zich er rustiger, terwijl het bovendien van betere kwaliteit is dan dat van de eigenlijke rivieren, wat ook de aantrekkelijkheid van de nevengeulen als paaiplaats gunstig beïnvloedt.

Het graven van de nevengeul werd uitgevoerd in het kader van het Project Uiterwaarden Nederrijn. De uitvoering was een opdracht van de provincie Utrecht. Die werkte daarbij samen met Rijkswaterstaat, de gemeente Rhenen, gebiedscoöperatie O-gen, diverse maatschappelijke organisaties en huidige eigenaar Utrechts Landschap.

De veelbewogen geschiedenis van de Palmerswaard
De Palmerswaard is een zuidwestelijk van het oude stadje Rhenen gelegen smalle Rijnuiterwaard. De hoogwaterwaard ligt onderlangs het circa 150.000 jaar geleden door Scandinavisch landijs opgeschoven stuwwalgedeelte dat bekend zou worden als de Utrechtse Heuvelrug. Aan de kant van die stuwwal wordt de Palmerswaard gemarkeerd door een voormalig rivieroeverklif. Het ontstond toen de grote rivieren na het doorbreken van enkele stuwwallen een breed en diep dal vormden. Dat was met name onder koude klimaatomstandigheden mogelijk. De zeespiegel daalde dan aanzienlijk, terwijl smeltwatervloeden geregeld veel ruimte opeisten. Behalve kort na de Scandinavische landijsbedekking was dat in de pas 11.000 jaar geleden laatste ijstijd het geval.

Na de laatste ijstijd impliceerden een aanvankelijk snelle zeespiegelrijzing en weer rustiger stromen van de rivieren dat ze het dal weer gingen opvullen. Dat leidde er toe dat het rivierklif geleidelijk tot een hoger niveau aan het oog werd onttrokken. De bovenrand ervan ligt daardoor nu nog slechts zo’n tien meter boven de Rijn.

Onder de huidige klimaatomstandigheden concentreren de rivieren zich meer in een bepaalde bedding. Daarbij zijn ze geneigd hun bochten uit te buigen, wat uiteindelijk soms leidt tot het ontstaan van meanders. De scheepvaart maakt echter liever gebruik van vrijwel rechte waterwegen. Om te voorkomen dat een rivier te veel gaat kronkelen zijn de op en langs de rivieroevers de afgelopen eeuwen kribben en strekdammen gebouwd.

Ter plekke van de ongeveer zeven meter boven NAP gelegen Palmerswaard heeft de Rijn voordien nog wel een flauwe bocht naar rechts gevormd. Hierdoor kon het middendeel van de waard locaal circa 300 meter breed worden.

Een groot deel van de in het rivierengebied gevormde kleiige uiterwaardafzettingen bleek zeer geschikt voor de fabricage van (bak)stenen en/of dakpannen. De kleiïge sedimenten werden dan ook op grote schaal weggegraven. Hierdoor ontstonden zelfs ondiepe waterplassen. In de Palmerswaard was dat pas tegen het einde van de vorige eeuw op grote schaal het geval. Grasland zou er toen over een aanzienlijke lengte worden getransformeerd in een zone met talrijke kleine plassen.

In 2001 werd de van veel klei ontroofde Palmerswaard grotendeels verworven door de stichting Utrechts Landschap die de zone als een (secundair) natuurgebied ging beheren. Sindsdien is er nog een nevengeul gegraven en wandelpad aangelegd. Momenteel bezit Utrechts Landschap 34 ha van de uiterwaard, waar inmiddels ruim 260 plantensoorten zijn aangetroffen.

06-02-2018
TELLURIS
Natuurmonumenten herstelde veenmosrietland Naardermeer

In zeven verlandende veengebieden van ons land voert Natuurmonumenten nu projecten uit in het kader van het gesubsidieerde herstelprogramma Nieuw leven in het veen. Hiermee wordt beoogd bepaalde zeldzamer wordende verlandingsstadia te behouden. Daarbij gaat het met name om het behoud van het zogenaamde veenmosrietland. Om dit mogelijk te maken moeten verdroging en depositie van meststoffen teniet worden gedaan. Daarvoor wordt houtgewas gekapt en de bovengrond weggeplagd. Een van de projecten werd de afgelopen maanden uitgevoerd in het verlandende natuurlijke Naardermeer. Daar werd het ecotoop veenmosrietland over een oppervlakte van bijna 25 ha de mogelijkheid geboden te regenereren of opnieuw te ontstaan.
Floristisch is de instandhouding van het veenmosrietland onder meer ook van belang omdat het Naardermeer een van de belangrijkste West Europese groeiplaatsen is van de groenknolorchis. Aanwezigheid van overjarig riet bleek er ornithologisch vooral gewenst omdat in het dichtbegroeide milieu allerlei bijzondere moerasvogels schuilen en/of broeden. Onder hen zijn de purperreiger en schuwe, solitair levende roerdomp.

Natuurrecreatiemilieus Gravelandse buitens vooral van regionale betekenis
Oostelijk van de Gooise kanaalzandkolonie ’s Graveland werden na de Middeleeuwen verscheidene buitens gesticht. De realisatie ervan werd ook gefinancierd met de verkoop van zand. Hiervoor werden de terreinen van de te stichten buitens ten dele afgezand.
Een groot deel van de buitens is thans eigendom van Natuurmonumenten. In de herfst van 2017 onderzocht die vereniging de belangstelling voor en appreciatie van hun recreatieve betekenis.
Daarbij bleek dat maar liefst zo’n 80% van degenen die de buitens bezoeken op nog geen tien kilometer afstand ervan woont. Die bezoekers komen dus vooral uit Naarden, Bussum, Hilversum, Kortenhoef en Nieuw Loosdrecht. Het is dan ook geen wonder dat ongeveer de helft van hen er heen fietst of loopt. Van degenen die met de auto naar de buitens gaan klagen sommigen over het gebrek aan parkeerruimte op drukke dagen.
Ongeveer de helft van de bezoekers gaat naar de buitens om er zich te ontspannen.
Na een kennismaking met de oude buitens vindt bijna iedereen dat zo’n bezoek de moeite waard was en voor herhaling vatbaar. Bovendien werd aanwezigheid van veel andere bezoekers over het algemeen niet als overlast ervaren. De waardering voor de recreatieve mogelijkheden van de lommerrijke buitens is dus groot. Dat blijkt trouwens ook uit het rapportcijfer dat de bezoekers de recreatieve betekenis van de ’s Gravelandse buitens gaven. Dat was gemiddeld ruim 8,5. Daarbij werd wel af en toe te kennen gegeven dat er behoefte is aan een hondenlosloopgebied. De vereniging Natuurmonumenten gaat nu bezien in hoeverre ze aan de wensen van de bezoekers tegemoet zou kunnen komen.

Provincie Utrecht subsidieert opknappen erfgoedparels
De provincie Utrecht zal dit jaar drie miljoen euro uit haar fonds Erfgoedparels ter beschikking stellen voor het opknappen van in totaal 20 monumenten. In de Vechtstreek gaat het daarbij onder meer om de Hoekermolen bij Overmeer, villa Vijverhof bij Nieuwersluis en de menagerie van het bezuiden Breukelen deels bebouwd geraakte bospark van kasteel Nijenrode.
De Hoekermolen staat in de nogal kale westelijke omgeving van Overmeer, bij een bochtig deel van de Vecht. Het is een in 1874 gebouwde poldermolen van het vrij algemene type achtkante grondzeiler. De molen heeft begin deze eeuw al een restauratie ondergaan.
De villa Vijverhof ligt pal ten noorden van Breukelen bij de Linkeroever van de Vecht. Bij de villa behoort nog een terrein van anderhalve hectare. In de zeventiende eeuw werd er een boerderij met 14,5 ha grond getransformeerd in een buitenplaats, waarvan het landhuis vroeg in de 19de eeuw werd gesloopt. De er later gebouwde villa dateert van 1866. Het is een in eclectische stijl opgetrokken gepleisterd pand met een gebroken plateaudak, waarvan de bovenste hoeken worden gekroond door een schoorsteen.
De in het begin van de vorige eeuw door de toenmalige kasteelheer van Nijenrode gebouwde menagerie ligt op een eilandje. Er staan vogelverblijven en andere opstallen. Al die bouwwerken verwierven de status rijksmonument. In Nederland zijn nog maar enkele andere menagerieën behouden gebleven. De inmiddels begonnen restauratie van de menagerie zal waarschijnlijk ook worden gefinancierd door de stichting Nijenrode Fonds.
Aan de zuidwestrand van de Utrechtse Heuvelrug wordt de provinciale subsidie gebruikt voor het tuinhuis van het landgoed Heidestein, buiten Doornveld bij Doorn, ook in de buurt van dat dorp gelegen park van het voormalig landgoed Hydepark en de tuinmuur van het westelijk van Amerongen behouden oude landgoed Zuylestein.
Het tuinhuis van Heidestein behoort tot een complex van drie één geheel vormende bouwwerken. De beide andere onderdelen van het complex zijn een waterreservoir en ijskelder. Het complex verrees in en boven de aarden wal die de grote vijver van Heidestein flankeert. Daarbij kwam het tuinhuisje op het platte dak van het waterreservoir te staan.
Het grote hoofdgebouw van de bezuiden de Driebergsestraatweg gelegen, vrij kleine buitenplaats Doornveld is een in eclectische stijl gebouwde gepleisterde villa uit het jaar 1861. De door een zadeldakpartij geaccentueerde contouren van het vrij imposante pand doen denken aan de hoofdletter H. Links van de villa staat een voormalig koetshuis.
Op het in oorsprong vroeg 19de-eeuwse buiten Hydepark werd tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog het toenmalige grote landhuis verwoest door een explosie van er opgeslagen munitie. Wel behouden bleven er de structuur van het vrij bosrijke park en een groot aantal antieke bijgebouwen. Speciale aandacht verdienen de aanwezigheid van een ommuurde moestuin, neobarokke oranjerie en enkele portierswoningen. Onlangs verrees op het terrein onder meer een nieuw hoofdgebouw dat met enkele paviljoens als conferentie- en vakantie(zorg)hotel wordt geëxploiteerd.
Het kasteel van het laatmiddeleeuwse landgoed Zuylestein werd in 1945 door een
bombardement  verwoest. Vlakbij de plaats waar het stond werd in de jaren 1981-1983 een kleiner hoofdgebouw neergezet. Zuylestein behield zijn 17de-eeuwse parkstructuur, ommuurde moestuin en poortgebouw.

Raad van State akkoord met westelijke ontsluiting Amersfoort
Eind vorige maand ging de Raad van State akkoord met het bestemmingsplan dat voorziet in de modernisering en gedeeltelijke westwaartse verlegging van de weg langs de westrand van Amersfoort. Hiertegen was beroep aangetekend door de Vereniging Behoud Bos Birkhoven en Bokkeduinen, een groep omwonenden en het bedrijf Amvest dat tegenwoordig eigenaar is van het voormalige kloostercomplex Onze Lieve Vrouwe ter Eem. Vrees voor wateroverlast en aantasting van zowel natuur- als cultuurwaarden lagen ten grondslag aan de beroepen. Bovendien zouden het nut en de noodzaak van de wegwerken onvoldoende zijn aangetoond. De Raad van State oordeelde echter dat nut en noodzaak van het project voldoende zorgvuldig waren onderzocht. Bovendien zou de gemeenteraad van Amersfoort in het kader van de belangenafwegingen in redelijkheid het omstreden besluit hebben kunnen nemen.
Door de uitvoering van het project wil de gemeente Amersfoort zowel de verkeersveiligheid verhogen als de bereikbaarheid van de thans meer dan 180.000 inwoners tellende, gelijknamige stad verbeteren.
Om dit te bereiken is het onder meer de bedoeling de spoorlijn en daarbij gelegen wegverbinding te onderkruisen, de weg bezuiden de ingang van het Dierenpark Amersfoort over grote lengte enkele honderden meters naar het westen te verleggen en er bovendien verdiept aan te leggen. Aldus kan de bebouwde kom van het Bergkwartier van doorgaand verkeer worden bevrijd. De randweg komt daarbij echter wel nagenoeg onderlangs de westrand van dat luxe woongebied te liggen.
Benoorden de ingang van het dierenpark wordt de randweg slechts enkele decameters naar het westen verlegd. Aldus komen de er langs de oostkant van de weg gelegen woningen op wat grotere afstand van de drukke verkeersverbinding te liggen. Het huidige tracé van die verbinding kan dan als ventweg gaan fungeren. Bovendien zal er bij die weg een fietspad kunnen worden aangelegd.
Voor de beperkte westwaartse verlegging van de randweg ten noorden van het Dierenpark Amersfoort zal wel een honderden meters lange, smalle strook van het bosgebied Birkhoven moeten wijken. Dit kan echter min of meer worden gecompenseerd door een gedeeltelijke herbebossing van het bij het dierenpark gelegen grote parkeerterrein. Doordat de nieuwe weg er doorheen werd geprojecteerd, zal dat parkeerterrein namelijk toch moeten worden verplaatst.

Een nieuwe woonbuurt in het Amersfoortse Bergkwartier
In Amersfoort werd het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt een luxe nieuwe woonbuurt te laten bouwen op de markante oostflank van de Utrechtse Heuvelrug. Die mogelijkheid ontstond doordat het er aanwezige ziekenhuis naar de andere kant van de snel groeiende stad verhuisde. Wegens de realisering van de nieuwe woonbuurt wordt het gebouwencomplex van het ziekenhuis thans gesloopt. Op het aldus vrijkomende terrein zullen vooral twee-onder een kappers en vrijstaande woningen kunnen worden gebouwd. Ook is er ruimte gereserveerd voor een appartementencomplex, waarvan één vleugel maximaal twaalf woonlagen mag gaan tellen.
Binnen de begrenzing van het plangebied daalt het oppervlak van de stuwwal Amersfoort -Maarn - Rhenen oostwaarts over een afstand van slechts enkele honderden meters maar liefst 18 meter. Daarbij is het deels terrasvormig. Onduidelijk is in hoeverre we hier nog van doen hebben met de natuurlijke terrassen van de stuwwalflank. Voor de bouw van het grootschalige voormalige ziekenhuis zal destijds namelijk ook veel grondverzet hebben plaatsgevonden.
Bij de detaillering van de planning zal nader moeten worden bezien hoe er met de huidige hoogteverschillen wordt omgegaan. Dat kan bepaald een uitdagende ontwerpopgave zijn omdat de plannenmakers op een en dezelfde kavel lokaal met hoogteverschillen van wel drie meter geconfronteerd zullen worden. Waarschijnlijk zullen dan zelfs keerwanden geplaatst worden.
De bedoeling is de woonbuurt te ontsluiten en laten belommeren via een drietal grotendeels evenwijdige lanen, waarvan het tracé de hoogteverschillen zoveel mogelijk zal vermijden. In de lanen valt geen druk autoverkeer te verwachten. Daardoor kan er worden volstaan met de aanleg van slechts 3,5 meter brede rijbanen.
Bij de herontwikkeling van het terrein zou slechts een deel van het er nog aanwezige groen behouden kunnen blijven. In het uiterste westen van het plangebied is dat de lommerrijke naaste omgeving van een op de hoogst gelegen plek gesitueerde, rijksmonumentale grafheuvel. Verder zullen bij de oostrand van het terrein een als speelterrein belangrijk geworden strook grasland en houtopstand achterlangs de tuinen van de Da Costalaan worden ontzien.
De niettemin te verwachten substantiële teloorgang van houtopstanden zal onder meer worden gecompenseerd door de aanleg van een deels te bebomen kaarsrechte groenstrook met zichtas. De strook gaat de groen blijvende hooggelegen plek met de grafheuvel verbinden met de pal ten oosten van het plangebied de aandacht trekkende neogotische Sint Ansfriduskerk, die daardoor nog beeldbepalender zal worden.
Vermoedelijk zullen bij de uitvoering van het plan in totaal ongeveer honderd bomen van de eerste grootte worden geplant.

Gepland industrieterrein bij Maarsbergen al grotendeels ontbost
Enige tijd geleden berichtten wij al dat de Raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug instemde met een omstreden oostwaartse uitbreiding van het industriegebiedje bij Maarsbergen over een nog bosrijk voormalig verblijfsrecreatieterrein. Tegen die uitbreiding zou echter door enkele milieuorganisaties beroep worden aangetekend bij de Raad van State. Bovendien werd verzocht de uitvoering van het plan te schorsen tot een uitspraak over het beroep zou zijn gedaan. Het schorsingsverzoek is onlangs gehonoreerd. Bovendien wijdde de Raad al een hoorzitting aan het beroep.
Intussen weerhield de schorsing de gemeente Utrechtse Heuvelrug er echter niet van al te beginnen met de velling van het op het terrein aanwezig bos. De gemeente meende daartoe over te kunnen gaan omdat overeenstemming was bereikt over de aanleg van compenserende beplantingen in de omgeving. Aldus zou namelijk voldoende rekening zijn gehouden met de bepalingen van de Boswet. Die betreffen echter lang niet alle omstandigheden, die de potentiële onwenselijkheid van een bestemmingswijziging bepalen. De bomenkap kan dan ook als illegaal worden aangemerkt. In lijn hiermee werd van inspectiewege gelast de kap van bomen te staken. Het plangebied was toen echter al grotendeels ontbost.
De geschetste ontwikkeling is vooral bedenkelijk omdat de politieke partijen voor ze over de uitbreiding van het bedrijventerrein zouden stemmen gedetailleerd over de onwenselijkheid daarvan waren voorgelicht. Velen zijn dus niet zo geïnteresseerd in het soort argumenten dat de milieuorganisaties aanvoerden. Zeker in een gebied dat vanwege zijn diversiteit en rijkdom aan bijzondere landschapswaarden de kwalificatie geopark verdient handelen beleidsmakers dan bepaald onzorgvuldig.

08-01-2018
TELLURIS
Utrechts Landschap verwierf park vliegbasis Soesterberg
Op 15 december heeft de provincie Utrecht het deel van de voormalige vliegbasis Soesterberg dat voortaan zal worden beheerd als natuurgebied overgedragen aan de stichting Het Utrechts Landschap. De in 2009 door de luchtmacht verlaten vliegbasis wordt beschouwd als een onderdeel van twee belangrijke ecologische verbindingszones.Vastgesteld is dat er meer dan 2000 soorten planten en dieren leven.

De vegetatie van het natuurgebied bestaat uit bos, bloemrijke schrale grassteppen en enkele heiderestanten. Bloemrijk schraal grasland zou nergens in Noordwest Europa nog zo’n grote oppervlakte beslaan als op de voormalige vliegbasis. We vinden het er vooral langs de vroegere startbanen, die destijds werden aangelegd op de vrijwel vlakke ondergrond van een uitgestrekte waaier grinderige ijssmeltwaterafzettingen.

Op het schrale grasland zijn inmiddels meer dan 600 plantensoorten aangetroffen. Bovendien blijkt de zeldzaam geworden veldleeuwerik er zich goed thuis te voelen. Die vormt er zelfs de grootste populatie van Midden Nederland. Zeldzame insecten van het schrale grasland zijn onder andere de kommavlinder en blauwvleugelsprinkhaan.

Bos bleef op de vliegbasis met name behouden op de stuwwal Den Dolder – Amersfoort. Een deel ervan werd gebruikt voor de opslag van munitie, waaraan voor vleermuizen interessante bunkers blijven herinneren.

In het bos is een zigzaggende route van vijf kilometer uitgezet. Die route begint en eindigt bij het ook op de basis gevestigde Nationaal Militair Museum. Het tracé van de gemarkeerde  route is min of meer lusvormig, wat betekent dat over een vrij grote lengte visa versa moet worden gelopen. Een aantal blusvijvers van de vliegbasis is natuurvriendelijk ingericht. Ze blijken allerlei libellensoorten een geschikt leefmilieu te bieden.

Benoorden de vliegbasis werd het bosrijke landgoed De Palz onlangs ook eigendom van de Stichting Het Utrechts Landschap. Ook dat landgoed werd grotendeels openbaar toegankelijk. Bovendien is er net als in het bos van de voormalige vliegbasis een wandelroute gemarkeerd. 

Bouw ecoduct ten zuidwesten van Maarn begonnen
Tussen Maarn en Doorn is begonnen met de bouw van een natuurbrug over de provinciale weg N 227. Die ecologische verbinding werd op de noordoostelijke flank van de stuwwal gepland. Het terrein van het enkele hectaren grote plangebied ligt 22 à 30 meter boven NAP. 

Vanwege de realisatie van het ecoduct werd vijf hectare bos gerooid. Hierdoor kon het voor de bouw van het ecoduct nodige grondverzet worden uitgevoerd. In het kader hiervan worden ook twee vijvertjes gegraven. Waar op het ontboste terrein geen grondverzet van betekenis nodig leek is een heidevegetatie gepland.

Het plan de natuurbrug te realiseren werd niet door iedereen gewaardeerd. Sommigen ervaren het project primair als een aantasting van het bosgebied. Bovendien wordt getwijfeld aan de betekenis ervan voor de levende natuur. Die zou de financiering ervan niet rechtvaardigen. In dat verband is ook gewezen op de mogelijkheid goedkoper een veilige ecologische verbinding te realiseren. Daarbij wordt vooral gedacht aan de bouw van tunneltjes voor de kleinere dieren. Maar ook aan het plaatsen van installaties, die automobilisten met lichtsignalen waarschuwen als groter wild de weg wil oversteken.

Door de bouw van het ecoduct worden ook geomorfologische landschapswaarden aangetast. De provincie meent echter dat kleinschalig grondverzet dan nog kan worden toegestaan als de kwaliteiten van de plek waar de ingreep zou moeten plaatsvinden niet onevenredig worden aangetast. We dienen dan in ieder geval vergraving van interessant micoreliëf te vermijden. En ook te weten waar bij het opsporen ervan alzo op moet worden gelet. Helaas is dat ondanks recente aanvullende verkenningen nog onvoldoende bekend. Wat een verantwoorde omgang met de geostructuur nog in de weg staat.

Sommige bedenkingen tegen de geplande ingreep gaven de lokale afdeling van de VVD aanleiding daarover vragen te stellen in de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De meerderheid van de Raad steunde het plan echter.

Kostendragers gaan behoud kwaliteiten landgoed Prattenburg bevorderen
De provincie Utrecht heeft in december van vorig jaar een inpassingsplan vastgesteld, waardoor het financieel beter mogelijk wordt de kwaliteiten van het bosrijke oude Landgoed Prattenburg te behouden. Het grote landgoed occupeert tussen Veenendaal en Elst een tamelijk smal maar vrij hoog deel van de Utrechtse Heuvelrug. Het overgrote deel van het landgoed ligt op het grondgebied van de gemeente Rhenen, terwijl een klein gebied onderaan de noordoostflank van de heuvelrug onder Veenendaal valt. Het bosgebied wordt gesneden door de verharde weg die Veenendaal via een stuwwalpas met Elst verbindt. Die weg werd Veenendaalse Straatweg genoemd.

Het inpassingsplan werd in overleg met de beide gemeenten en de landgoedeigenaar opgesteld. Dat gebeurde met inachtneming van het uitgangspunt dat er op het bosrijke terrein niet meer bebouwing zou komen te staan dan er in het recente verleden stond. Dit hield wel in dat sloop van bebouwing, waarvan de aanwezigheid vanwege haar kenmerken en/of ligging ongewenst leek zou kunnen worden gecompenseerd.

In het kader van het project zullen vier kleine terreinen een andere bestemming krijgen. In het uiterste zuidwesten van het bosgebied is dat de bij de Veenendaalse Straatweg gelegen Eikelkamp. Het was de vestigingsplaats van een StayOKay (jeugdherberg). De bestaande bebouwing wordt er vervangen door vier recreatiebungalows. Bovendien is op het terrein een zogenaamde bomenkathedraal gepland.

Aan de andere kant van de Veenendaalse Weg zal een op de noordoostelijke stuwwalflank gelegen enclave cultuurland van het Schupse Bos waar een hotel mocht worden gebouwd nu bebost worden. Hiertegenover staat dat onderaan de noordoostelijke stuwwalflank middenin het Bosje van Wartou een hotelaccomodatie mag worden gerealiseerd. Het bosje ligt tegenover het natuur- en recreatiegebied van de grote voormalige groeve Kwintelooijen.

Het vierde terrein dat een andere functie werd toegedacht is de huiskavel van de Julianahoeve, waar zich na sloop van enkele opstallen een kleinschalige zorginstelling mag gaan vestigen. De Julianahoeve staat vlakbij de bebouwde kom van Veenendaal in een aantrekkelijk agrarisch gebied. Veel percelen van een complex evenwijdige strookvormige kavels worden er gemarkeerd door brede houtsingels.

Twee nieuwe faunatunneltjes tussen Utrecht en De Bilt
De grote stad Utrecht en het verstedelijkte De Bilt worden nog slechts door een vrij smalle strook landelijk gebied van elkaar gescheiden. Het is de bedoeling dat die ook deel zal gaan uitmaken van de al jaren geleden geplande ecologische verbinding tussen het natuurrijke venig polderland ten noordoosten van Utrecht en de Kromme Rijnstreek. Met de inmiddels al ver gevorderde realisatie ervan wordt ook beoogd de barrièrewerking van de autosnelweg A 27 te beperken. In het kader van het project zullen binnenkort nog twee Utrecht en De Bilt verbindende wegen worden onderkruist met een tunneltje. Dat zijn de Biltse Rading en Biltse Straatweg (N 237). De grotendeels evenwijdige tracés van de wegen liggen ongeveer 600 meter van elkaar verwijderd.

Het tunneltje onder de Biltse Rading kon in onbebouwd polderland worden gepland. Ter plekke van de Biltse Straatweg bood echter alleen een smalle lommerrijke strook ter hoogte van het kleine verdedigingswerk Griftenstein de mogelijkheid de situering van een faunatunneltje bij bebouwing te vermijden.

De tunneltjes worden drie meter breed en 1,75 meter hoog. De verwachting is dat de tunneltjes onder meer van belang zullen zijn voor de das, kleine marterachtigen en de ringslang.

Ecologisch belangrijke plekken van de verbindingszone zijn al het voormalige fort Voordorp en een door bossages omgeven en gemaskeerde ontzandingsplas die samen een meer dan een kilometer lange waterrijke zone vormen.

Odijk ontziet erfgoed bij zuidwestwaartse uitbreiding
De bebouwde kom van Odijk wordt grotendeels omgeven door een vrij grote en tamelijk brede meander van de Kromme Rijn. Even voor de markante bocht vormde de rivier een deels haarspeldachtige stroombedding. Die zou bij de aanleg van de 19de-eeuwse Nieuwe Hollandse Waterlinie echter worden afgesneden door het graven van een kanaal.

Het oude Utrechtse dorpje Odijk ontstond bij de binnenzijde van de grote meander. De grotendeels enigszins zandige en relatief hooggelegen kronkelwaard die de Kromme Rijn er voordien bouwde werd namelijk ervaren als een ook in agrarisch opzicht aantrekkelijke vestigingsplaats.

Odijk zou lang een kleine landelijke nederzetting blijven. Vanwege de betrekkelijke nabijheid van de grote stad Utrecht werd het dorp in de tweede helft van de vorige eeuw echter ook interessant voor forensen. Daardoor zou de plaats zich flink gaan uitbreiden. Als gevolg hiervan raakte inmiddels vrijwel de gehele kronkelwaard bebouwd. En in het recente verleden ook de ten zuiden ervan gelegen waard die door de afgesneden haarspeldachtige bocht wordt omarmd. De bebouwde kom van Odijk beslaat daardoor thans een oppervlakte van anderhalve vierkante kilometer.

Een verdere uitbreiding van Odijk lijkt nog in een behoefte te zullen voorzien. Die is nu zuidwestelijk van het dorp gepland. De provinciale weg N 229 zal daardoor enkele honderden meters binnen de bebouwde kom van het verstedelijkende dorp komen te liggen.

Bij de thans beoogde uitbreiding zal zorgvuldig met bijzondere (landschappelijke) erfgoedwaarden worden omgegaan. Zo is het de bedoeling de er als gemeentemonument geklasseerde 17de-eeuwse krukhuishoeve Het Burgje en een erbij gelegen boomgaard te behouden als multifunctioneel (cultureel) centrum. Dat wordt ook nagestreefd vanwege de ligging van de boerderij. Bij of ter plekke van de op oudere fundamenten gebouwde hoeve zou namelijk het kasteel Ter Borch hebben gestaan.

Van belang is ook dat de vormgeving van een wat noordelijker gepland plantsoen gaat verwijzen naar de ontdekking van een Romeins grafveld in en bij het gebied van de toekomstige groenvoorziening. Door het creëren van een groot aantal (omwalde) ronde heuveltjes zal worden getoond hoe enkele duizenden jaren geleden aangelegde begraafplaatsen er veelal uitzagen. Elders in ons land is dat op sommige plaatsen trouwens nog steeds te zien.

Voorgesteld werd de bij de hoeve Het Burgje en het plantsoen met “grafheuvels” geplande woonbuurten respectievelijk Het Burgje en De Graven te noemen.

Afgelopen zomer zijn in het plangebied bij opgravingen ook restanten gevonden van de verdwenen Middeleeuwse hoeve Vinkenburg.

20-09-2017
TELLURIS
Mobilisatiecomplex Bussum wordt woonbos
In de vorige eeuw werd het heuvelachtige en natuurrijke Gooi een aantrekkelijke streek om zich te vestigen. Een gevolg daarvan was dat de streek toen sterk ging verstedelijken. Gelukkig werd al vrij spoedig vrij algemeen beseft dat het opportuun was er ook zuinig te zijn op de natuur.
Ook in bestuurlijke kringen wordt er daarom reeds tientallen jaren naar gestreefd het overgrote deel van de bos- en heidegebieden te vrijwaren van bebouwing. Die wordt daar mondjesmaat nog wel toegestaan als er andere bebouwing gesloopt werd.
Een recent voorbeeld is de huidige transformatie in een woonbos van een bij Bussum gelegen nog grotendeels bebost, voormalig mobilisatiecomplex. Het lag bij een voormalige zanderij van het landgoed Cruijsbergen, die na een periode van agrarisch grondgebruik in een “secundair” natuurgebied werd veranderd.
Vanwege deze ligging is het geplande woonbos Landgoed Nieuw Cruijsbergen gedoopt. In 2016 begon er de bouw van 50 woningen. Daarvan wordt ruim de helft geconcentreerd in een drietal lage appartementencomplexen. Er omheen verrijzen 24 twee of vier onder een kappers.
De bosrestanten, smalle gracht en voormalige blusvijver van het gebied zullen worden beheerd door het Goois Natuurreservaat, dat daarvoor een vergoeding is beloofd. Verwacht wordt dat het beheer de komende twee decennia in totaal € 200.000 zal kosten. Intussen is ons gebleken dat bij de uitvoering van het project herhaaldelijk het bouwbesluit werd overtreden en daarom nog allerlei verbeteringen zullen moeten worden aangebracht. Dat zou tot vertragingen kunnen leiden.

Laagte met Laarder Wasmeer gesaneerd
Oostelijk van Hilversum werd de natte natuur van het Groot of Laarder Wasmeer en omgeving dankzij een vrij ingrijpende sanering andermaal een voedselarm milieu, waar zich de afgelopen jaren ook weer de voor dat milieu kenmerkende planten- en diersoorten zouden gaan vestigen.
Omstreeks 1800 was het natte milieu een gebied van voedselarme vennetjes, die er in ondiepe terreindepressies op een ondoorlatende bodem waren ontstaan. Later zouden in de omgeving gevestigde industrieën er lange tijd hun afvalwater lozen.
Bovendien fungeerde het gebied als vloeiveld van een rioolwaterzuiveringsbedrijf. Een gevolg was dat het gebied waterrijker werd en er geregeld min of meer giftig slik zou gaan bezinken.
De fijnbesnaarde flora van voedselarme milieus werd er toen verdrongen door de robuustere en “agressievere” levende natuur van voedselrijke gronden, waarbij wilgen en riet gingen domineren.
In 1932 is het gebied aangekocht door de gemeente Hilversum.  Er zou daarna echter nog niet veel veranderen. Later werd echter duidelijk dat het min of meer giftige slib dat in het gebied bezonk bij lage waterstanden plaatselijk uitdroogde en ging stuiven. Bovendien zou gaandeweg beseft gaan worden dat dit de gezondheid van de omgeving schaadde. Dat leidde tot het besluit het gebied te bevrijden van de schadelijke infiltraties en de bodem ervan te saneren. De sanering vond in de jaren 2003-2011 plaats.
Ze bood ook de gelegenheid aardhistorisch onderzoek te verrichten. Dat werd door de Universiteit van Amsterdam onder leiding van professor Jan Sevink uitgevoerd.  Door het onderzoek bleek dat er sinds de laatste ijstijd meermalen geregeld zandverstuivingen plaatsvonden.
Dat was met name tijdens relatief droge klimaatfasen het geval. Activiteiten van de mens zouden die verstuivingen pas later bevorderd hebben. Aan de verstuivingen herinneren (vrij) jonge duinformaties. Een groot deel ervan vormt een gordel buitenlangs de noord- en oostrand van de laagte. In de laagte komen lokaal echter ook duinen voor.
Op enkele plekken zijn trouwens nog steeds verstuivingen mogelijk. De sanering bood de flora van voedselarme milieus in het gebied nieuwe toekomstperspectieven. Symptomen daarvan zijn het thans weer voorkomen van klokjesgentiaan, kleine zonnedauw, veenpluis en snavelbies.
Het gebied van het Groot Wasmeer en omgeving wordt tegenwoordig beheerd als natuurreservaat, in verband waarmee het slechts beperkt en onder geleide mag worden bezocht. Het voorkomen van ongewenste natuurlijke herbebossing is er gedelegeerd aan grote grazers.

Toch meer industrie bij Maarsbergen ?
Zoals ons stichtingsbestuur al vreesde stemden de meeste raadsleden van de gemeente Utrechtse Heuvelrug in met een ongewijzigde goedkeuring van het ontwerp bestemmingsplan Maarsbergen Oost.
Alleen vertegenwoordigers van de SP en een locale partij waren er tegen.
Onze stichting betreurt een en ander vooral omdat het bestemmingsplan ook voorziet in een flinke uitbreiding van een klein industrieterrein over een nog natuurrijk deel van een stuwwalzoomterras.
Een van de organisaties die de geschetste ontwikkeling hoogst ongewenst vindt heeft nu beroep tegen het bestemmingsplan aangetekend. Dit kon nog tot 1 september.
In het beroepschrift is vooral het nut en de noodzaak van de uitbreiding van het bedrijventerrein ter discussie gesteld. Niet in de laatste plaats omdat de zogenaamde verstedelijkingsladder als toetsingskader zou moeten zijn gehanteerd.

De toekomst van het Rhenense MOB-terrein
Het Rijksvastgoedbedrijf verkoopt gaandeweg de militaire terreinen die in de vorige eeuw werden ingericht voor logistieke doeleinden om gemobiliseerde troepen snel van voldoende materieel en munitie te kunnen voorzien.
Een van die voor logistieke militaire doeleinden ingerichte terreinen ligt ten noordoosten van het Utrechtse dorpje Elst op grondgebied van de gemeente Rhenen.
Het oudere deel van Elst is een onderlangs de zuidwestflank van de Utrechtse Heuvelrug ontstane wegnederzetting.  Het onderwerpelijke MOB-terrein beslaat een oppervlakte van 14,5 ha. Die maakte deel uit van een overwegend circa 15 – 25 meter boven NAP gelegen zone waar agrarisch grondgebruik de heuvelrugflank lange tijd domineerde.
Ter plekke van het MOB-terrein is de zuidwestflank van de Utrechtse Heuvelrug ongeveer vijf meter hoger dan in de naaste omgeving ervan.  Vroeger behoorde het gebied van het MOB complex tot het domein van de uitgestrekte tabaksplantage Willem III, waar het aan de noordwestrand van lag.
Bij zijn inrichting voor logistieke militaire doeleinden werd het terrein grotendeels  bebost en vanuit het zuidwesten ontsloten door een lusvormige weg. In de naaste omgeving van de weg verrezen magazijnen met een zadeldak en een tweetal dienstwoningen. Door de realisering van deze voorzieningen raakte 20% van het gebied van het MOB complex verhard en 10% bebouwd.
Het niet tot het militaire domein behorende deel van de tabaksplantage is een aantal jaren geleden aan de natuur teruggegeven en tegenwoordig eigendom van de Stichting Het Utrechts Landschap. Die organisatie bezit trouwens ook een aangrenzend deel van de gordel bos en heide op de nabijgelegen hogere delen van de Utrechtse Heuvelrug.
Aan de (noord)westkant wordt het MOB-terrein nog steeds begrensd door agrarisch cultuurland.   De zuidwestelijke ingang van het terrein ligt aan de landweg Zwijnsbergen, waarvan de overzijde gezelschap geniet van (agrarische) lintbebouwing.
De weg Zwijnsbergen markeert een relatief laag deel van de heuvelrugflank dat tot ongeveer 15 meter boven NAP reikt.  Het lijkt waarschijnlijk dat het substraat van het MOB terrein plaatselijk van archeologische betekenis bleef.  Vanwege zijn huidige functie en (potentiële) kwaliteiten werd het MOB-terrein in het vigerende bestemmingsplan aangeduid als  Maatschappelijke militaire zaken en archeologie.
Relevant is ook de ligging van het terrein buiten de rode contouren, waarmee de grenzen werden gemarkeerd van de gebieden waar de provincie Utrecht verstedelijkingsplannen in principe welwillend beoordeelt. Bovendien ligt het MOB-complex in een zone die werd gereserveerd voor de landelijke Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
De bedoeling is dat bebouwing daar wordt vermeden en in het algemeen belang lokaal zelfs verwijderd. Om misverstanden te voorkomen attenderen wij er op dat de Ecologische Hoofdstructuur onlangs werd omgedoopt in het Nationaal Natuur Netwerk (NNN).
Sinds het MOB terrein zijn huidige functie verloor wordt nagedacht over de toekomst ervan. Die zal via een bestemmingswijziging moeten worden geregeld. Een andere dan de huidige eigenaar mag de nieuwe bestemming dan realiseren.
In verband hiermee werden de 14,5 ha van het lommerrijke MOB-complex onlangs te koop aangeboden.
Om het terrein te kunnen verwerven moet een aspirant eigenaar er 12 oktober 2017 met een bod en plan op hebben gereageerd. Vervolgens zal uit de geboden mogelijkheden een keuze worden gemaakt. Toetsingskader is dan een goede ruimtelijke ordening, waarbij maatschappelijk verantwoord rekening wordt gehouden met de huidige en potentiële kwaliteiten van het terrein.
De gemeente Rhenen bleek bereid daarbij enige vervangende bebouwing te accepteren. In dit verband wordt onder meer gedacht aan de bouw van een hotel of zo’n 15 (luxe) woningen.
Tegelijk zou de natuur echter ook meer de ruimte moeten krijgen. Hieraan zal een substantiële verkleining  van de oppervlakte (weg)verhardingen betekenend kunnen bijdragen.
Te verwachten valt dat de meeste aspirant eigenaren het voormalige MOB-terrein winstgevend willen exploiteren en dit ook financieel aantrekkelijk kan worden voor de gemeente Rhenen. Het is daarom zaak ervoor te waken dat dit niet zal leiden tot een ernstige aantasting van onvervangbare bijzondere natuur- en landschapswaarden.

De toekomst van de Elster Buitenwaarden
De afgelopen jaren bereidde Utrechts Landschap in het kader van het project Noordoever Nederrijn een herinrichting van de Elster Buitenwaarden voor. Daarvoor werd samengewerkt met de gebiedscoöperatie O-gen, provincie Utrecht, gemeente Rhenen en Rijkswaterstaat.
In het kader van de herinrichting zal de vermeste bovengrond van het grasland worden verwijderd. Hierdoor wordt het geschikt voor het ontstaan van soortenrijkere graslanden. De voor de grootschalige aftichelingen duidelijk relatief laag gelegen natte hooilanden zullen bij de maaiveldverlagingen zodanig worden verdiept dat moerassen en geulen met open water ontstaan. Verwacht wordt dat de geulen gevuld raken met schoon grondwater en hierdoor een soortenrijke onderwaterwereld zal ontstaan, waar zich ook diverse vissoorten zullen thuisvoelen.
In het recente verleden is aan de kant van de Amerongse Bovenpolder bij een voormalige machinistenschool al een deel van zo´n geul gecreëerd. Dichtbij de Utrechtse Heuvelrug zal via enkele uitgravingen het toevloeien van relatief voedselarm kwelwater uit die zandige hoge zone worden bevorderd.
Wij vragen ons echter af of dat niet een vorm van roofbouw is die op de heuvelrug na verloop van tijd tot ongewenste verdrogingen leidt. Met de (klei)grond die bij de ontgravingen vrijkomt zal de zandwinplas zowel worden verondiept als verkleind, waardoor een ecologisch interessantere situatie zou ontstaan.
De in de Elster Buitenwaarden behouden gebleven zomerkade wordt ten dele geschikt gemaakt voor recreatief medegebruik door wandelaars. De bedoeling is de wandelroute die aldus ontstaat te verbinden met die van het aangrenzende deel van de Utrechtse Heuvelrug.
De herinrichting voorziet ook in een transformatie van de Rijnoever, die van stenen bevrijd en verflauwd wordt. Om de afvoercapaciteit van de Elster Buitenwaarden te vergroten zal verbossing van de uiterwaard worden tegengegaan. De uiterwaard blijft dus een vrijwel geheel slechts met lage vegetaties begroeide zone. Dat is in feite echter geen herstel van een natuurlijke situatie.

De geschiedenis van de Elster Buitenwaarden
Het zuidoostelijk deel van de Utrechtse Heuvelrug werd sedert zijn ontstaan in de   voorlaatste ijstijd her en der geschampt door de grote rivieren.
Dat was vooral stroomopwaarts van het huidige Amerongen tussen het lintdorp Elst en de buurtschap Remmerden het geval.
Hieraan herinnert nog een metershoog, met houtgewas begroeid klif. Het begrenst de meer dan drie kilometer lange en maximaal zeshonderd meter brede Elster uitenwaarden. Omstreeks het begin van de vorige eeuw was die zone nog een gave, als grasland    geëxploiteerde Rijnuiterwaard.  Die werd toen in de lengterichting via enkele natuurlijke laagten ontwaterd door bochtige sloten. In de loop van de vorige eeuw zou de waard echter wordt geteisterd door de winning van oppervlaktedelfstoffen.
Daaraan herinnert onder andere een flinke zandwinplas.  Bovendien verdween er veel microreliëf door aftichelingen. De zomerkade van de uiterwaard bleef echter behouden.
In 1997 verwierf het Utrechts Landschap de zandwinplas en enig grasland van het gebied. Daardoor werd de organisatie er eigenaar van 10 ha. Sinds 2006 is haar bezit er onder meer via pacht verder uitgebreid.