Vecht en Plassen

bijgewerkt 18-10-2018

N.B. De gebieden waar het initiatief Geopark Gooi- en Vechtstreek i.w. zich expliciet op richt zijn Heuvelrug-Noord en het noordelijke deel van Vecht en Plassen.

Ontstaansgeschiedenis
Het landschap van de Vechtstreek is jong, zeer jong voor geologische begrippen, amper 10.000 jaar oud. Na de laatste ijstijd werd het warmer, smolten wereldwijd de ijskappen en steeg het zeeniveau. Op de grens van zee en land, waar Rijn, Maas en Schelde hun sedimentrijke water naar zee brachten, ontstond de Nederlandse Delta, waar de Vechtstreek deel van uitmaakt. Het landschap van de Vechtstreek is gevarieerd. De Vecht met zijn buitens en zware geboomte en aan weerszijde de uitgebreide veenweiden en plassen, in het oosten begrensd door de hogere zandgronden van de Heuvelrug en ‘t Gooi en in het westen eindigend in de diepe droogmakerijen van het Groene Hart. Dit cultuurlandschap ontstond pas in de laatste 1.000 jaar door het ingrijpen van de mens in de natuur.

De geschiedenis van de Vechtstreek begint eerder. De ondergrond bestaat uit zand en is gevormd tijdens de Pleistocene ijstijden. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (350.000- 130.000 jaar geleden), was de helft van Nederland bedekt met een dikke laag landijs. Aan hun front duwden de gletsjers de bodem omhoog, waardoor de stuwwallen van ’t Gooi en de Heuvelrug ontstonden.

Rond 3500 jaar geleden bestond het Vechtlandschap uit een 6 km breed dal, het ‘Vechtdal’, met meren en een vlechtwerk van veenriviertjes te midden van twee grote veenmosveengebieden: in het westen, de Ronde Venen, het klassieke voorbeeld van een veenkoepel met afvoerende veenriviertjes als de Kromme Mijdrecht, de Waver en de Angstel en in het oosten, tegen de Heuvelrug aan, een langgerekte veenrug, de ‘Stichtse Venen’, die zijn water via o.a. de Drecht en de Vecht loosde op het Oer-IJ. De Oude Rijn was duizenden jaren de belangrijkste noordelijke arm van de Rijn.

De Vecht

Gezicht op het dorp Loenen met theekoepels aan de Vecht, tekening door Jan de Beyer omstreeks 1750.

De Vecht, een streek van handel en vertier
De Vecht is ruim vierduizend jaar geleden als veenstroom ontstaan. Vanaf een punt dat oorspronkelijk bij Vechten lag, ontstond een noordelijke aftakking van de Rijn die uitmondde in het Flevomeer. De Aa, de Angstel en het Gein zijn op hun beurt aftakkingen van de Vecht. Daar waar de rivier aan de oostkant om de oude stad Utrecht heen liep, ligt nog een overblijfsel van de toenmalige Vecht, de Grift. De Drecht was een veen riviertje dat bij Loosdrecht ontsprong. Met het verlanden van de Vechtloop tussen Loenen en Loenersloot, nu de Slootdijk, werd een jongere oostelijke tak actief, de huidige Vecht. Dit ging ten koste van de Angstel. Ook tussen Nigtevecht en het Gein slibde een zijtak dicht. De Velters laan loopt nu over de stroomrug ervan. In de 9de eeuw kreeg de Vecht haar huidige uitwatering bij Muiden. De Vecht en de Aa-Angstel bezitten één tot maximaal twee kilometer brede stroomgordels. De oudste bewoning, uit de IJzertijd en de Romeinse tijd, was gesitueerd op de hoger gelegen oeverwallen. Sporen uit deze perioden liggen tamelijk diep in de bodem en zijn meestal volledig afgedekt door jongere afzettingen. Al in de Romeinse tijd was de Vecht een vaarroute naar het noorden. Vanaf de vroege middeleeuwen werd de Vecht voor Dorestad (Wijk bij Duurstede) een belangrijke waterweg voor de handel met de Oostzeelanden. Diverse plaatsnamen dateren uit deze periode, zoals Lona (Loenen), Marsna (Maarssen), Attingahem (Breukelen), Abecenwalde (Abcoude) en Zwesen (Zuilen). In de Frankische periode strekte zich aan beide Vechtoevers het graafschap Nifterlake uit. In de 8ste eeuw werd het gebied door de missionarissen Bonifatius en Liudger gekerstend. Het is bekend dat Bonifa tius een tijdje in Breukelen is geweest en daar een kerk heeft gesticht. Ook in Loenen werd al vroeg een kerk gesticht, in de 10de eeuw. Al vóór de 10de eeuw zijn delen van de oeverwallen langs de Vecht, vooral tussen Utrecht en Breukelen, bewoond en ontgonnen. Eerste kernvorming ontstond bij Ter Aa, Oud Zuilen en Maarssen. In de vork van de Vecht en de Aa ontwikkelde Breukelen zich. Loenen ontstond op de splitsing van de Vecht en een riviertak van de Angstel. In het noorden, waar de Angstel, Holendrecht en het Gein bij elkaar komen, ontstond Abcoude, waar in de eerste helft van de 12de eeuw een kerk werd gesticht. Aan de nederzetting Dorssen bij Vreeland herinnert alleen nog de naam Polder Dorssewaard. Al deze kernen hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde. De ontginning van het Vechtgebied en de bouw van een twintigtal kastelen werd geheel vanuit Utrecht geregisseerd. De Vecht was namelijk als handelsroute naar de landen van de Oostzee van levensbelang voor de ontwikkeling van de stad Utrecht. Beheersing en bevaarbaarheid waren de eerste punten van aandacht. Kastelen en grillige grenzen getuigen nog steeds van de eeuwenlange conflicten tussen het Sticht en Holland om controle over de rivier.

De Vecht als vaarroute
Midden 10de eeuw kwamen door een schenking van koning Otto I grote delen van het gebied in handen van de bisschop van Utrecht. De eeuwen daarna noodzaakten binnen komend zeewater en verzanding van de Vecht tot diverse maatregelen. Vanaf de Utrechtse Weerdpoort werd in 1148 een eerste verbinding gegraven naar de Oude Vecht. In 1338 werd een geheel nieuw, ruim 1100 meter lang kanaal gegraven, dat tussen de Rode Brug en de sluis van Oostveen een meander van de Vecht afsneed. Bij Vreeland had men al omstreeks 1260 een Vechtbocht afgesneden. De aanleg van de Reevaart in 1631 bij Nederhorst den Berg verkortte de vaarroute aanzienlijk. Ook bij de Angstel, ten westen van kasteel Abcoude, vond een bochtafsnijding plaats. Na de stormvloed in 1173 kregen de Vecht en de Aa/Angstel een dijk langs hun oevers. Op de westoever kwam deze hier en daar op enige afstand van de rivier te liggen, met name tussen Breukelen en Loenen. Tussen Baambrugge en Abcoude volgt de dijk (Horn) aan westzijde van de Angstel een vroegere loop, om het oude Hoogland heen. Om het inkomende zeewater te kunnen keren, werd eind 12de eeuw een eerste sluis ten zuiden van Breukelen aangelegd, later gevolgd door een tijdelijke dam bij Vreeland. Deze werd in 1437 door de Hinderdam vervangen. Ten noorden van deze dam zwaaide Holland de scepter. Met de bouw van de Weerdsluis in 1609 kon de Vecht van het stadswater van Utrecht gescheiden worden. De Angstel was van belang voor de route naar Amsterdam. In de 13de eeuw werd de Stadswetering gegraven, waardoor het dichtgeslibde deel tussen Ter Aa en de Vecht weer bevaarbaar werd. De Nieuwe Wetering, iets noordelijker gelegen, verving vervolgens in 1446 de Stadswetering. Bij de aanleg van de Oude Hollandse Waterlinie werd rondom de sluis in de Vecht in 1672 een fort gebouwd, dat na de uitbreiding van de verdedigingswerken in 1745 uitgroeide tot het vestingstadje Nieuwersluis. Toen ook werd de grote zeesluis bij Muiden aangelegd, als laatste regulering van het zeewater. De Oude Hollandse Waterlinie werd in 1796 nog versterkt met een aarden linie bij Nieuwer ter Aa.

Ontginningen
De oudste ontginningen vonden op en vanaf de oeverwallen plaats in onregelmatige blokvormige verkavelingen. Als gevolg van afdamming van de Kromme Rijn in 1122 zakte het waterpeil en kon ook het komgebied tussen Vecht en Angstel in cultuur worden gebracht. Als achtergrens van de onregelmatige strookvormige ontginningen werd de Indijk opgeworpen, in noord-zuidrichting, midden tussen de beide rivieren. In de polder Baambrugge-Oostzijds is nog goed te zien hoe in enkele slagen de percelen naar de Indijk toe zijn uitgezet. Ten noorden van het Gein werd de Ruwelswal- Hollandse Kade de achterkade van de ontginningen. Vanaf de 13de eeuw diende deze tevens als grens tussen Utrecht en Holland. Tussen Loenersloot-Loenen en Oud Aa-Breukelen is het gebied ontgonnen met dwarswatergangen tussen beide rivieren. De Honderdsche Wetering diende als achtergrens van de ontginning vanaf de Angstel, terwijl de Evenaarswetering in oost-westrichting de achtergrens vormde van de Breukelerwaard. Als ontginningsbasis van deze vóór 1240 drooggemaakte poel fungeerde de Breukelerwaardse Dijk (voorheen Bisschopsdijk), die met een grote boog de oeverwal van de Aa en een stukje van de Vecht volgde tot aan de Stadswetering bij Sterreschans. Na de ontginningen werd ten zuiden van de Slootdijk de Hollandsche Wetering gegraven als molengang en als vaarweg tussen de Vecht bij Nieuwerhoek en de Angstel bij Loenersloot. In 1385 werd tussen de Bisschopsdijk en de Kerkvaart van Breukelen de Heycop gegraven als afwateringskanaal van het veengebied in het westen. De Heycop mondde ten noorden van Breukelen in de Vecht uit, tegenover Queekhoven.

De Vechtplassen

Detail van een kaart van het Westbroekse boerderijlint uit 1603 door Jan Rutgersz. van den Berch. Met de bouw van de kerk van Westbroek werd in 1467 begonnen, kort na de aanleg van het ontginningswetering en -kade. Links op de voorgrond de Kerkeindsche Vaart.
Rechts De Vrye Heerlykheyt van Seyst en de Wegh der Weegen.

Veen en turf
Begrensd door strakke historische lijnen strekt zich ten oosten van de Vecht een grootschalig veenontginningslandschap uit. De Weersloot- Hollandse Rading is de oude scheiding tussen Holland en het Sticht en deelt twee verschillende landschappen: de Loosdrechtse turfontginningen met de veer- en waaiervormige verkaveling en de Oostvechtse veenontginningen met extreem lange, opstrekkende percelen. Karakteristiek voor de Oostvechtse ontginningen zijn de lange, doorgaande kavels en het stelsel van dwarskaden die de opeenvolgende ontginningsstadia laten zien. De met de ontginning opschuivende, ‘wandelende’ dorpen hebben zich in de 16de eeuw aan de laatste dwarskaden gefixeerd (Tienhoven, Westbroek en Maartensdijk). Mede door de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie met haar inundatiegebieden hebben zich hier geen grootschalige droogmakerijen voorgedaan, op de Bethunepolder na. De forten op de kruisingen van de ontginningslijnen met de zijkaden van de verschillende ontginningsblokken vormen de zichtbare elementen van de waterlinie. De meest oostelijke ontginning, op de hier dichter aan het oppervlak komende zandondergrond, is door de latere aanleg van buitenplaatsen in een coulissenlandschap van afwisselend bos- en weidestroken omgevormd. Hierdoor is een geleidelijke overgang naar de Heuvelrug ontstaan. De verkeersbundel Utrecht-Hilversum markeert het contrast tussen de lange open gezichten van Westbroek en het meer verstedelijkte gebied van Groenekan en Maartensdijk. De Gageldijk markeert de huidige stadsrand van Utrecht, van waar af het open weidelandschap tot aan ‘t Gooi zich uitstrekt. De overgang van veen naar de hogere zandgronden is hier nog bijzonder gaaf te noemen.

Ontginning van het Vechtplassengebied. Tussen 1100 en 1600 is veengebied ten oosten van de Vecht tot aan ’t Gooi in lange, opstrekkende verkaveling ontgonnen. Dat gebeurde onder meer door de monniken uit het klooster Oostbroek (vergelijk Westbroek!). Het tempo van de ontginning verliep vrij traag en was per blok verschillend. Vandaar dat de boerderijlinten niet keurig in één lijn liggen, maar onderling verspringen.

Strakke begrenzingen
De afdamming van de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede in 1122 was een geniale zet van de bisschop. Hierdoor konden niet alleen de komgronden in het Kromme Rijngebied ontgonnen worden, maar ook de moerassen ten oosten van de Vecht. Door de afdamming zakte in de Vecht het waterpeil en werd afwatering van het veengebied op de rivier gemakkelijker. De ontginning moet aanvankelijk onder centrale regie hebben gestaan, waarbij het klooster Oostbroek bij De Bilt een belangrijke ontginnersrol vervulde. Vanuit dit klooster werd langs de oostelijke Vechtoever in één lange, doorlopende lijn de Hoofddijk met een wetering aangelegd, tot aan De Klop bij de Vecht. Haaks erop werd als afwateringswetering van het veengebied de Klopvaart gegraven. Vervolgens werd in rechte lijn de Hoofddijk doorgetrokken met de Groeneweg en de Zogwetering, tot aan een oude meander van de Vecht bij het huidige Tienhovensch Kanaal. Deze eerste ontginningsbasis is ten slotte met de Scheendijk (voorheen Zogdijk) voortgezet tot aan de Weersloot, een afwateringswetering op de Vecht boven Breukelen. Omstreeks 1280 werd de Weersloot de scheiding tussen de Oostvechtse en de Loosdrechtse ontginningen en de grens tussen het Sticht en Holland. De Weersloot is in 1352 als Hollandse Rading naar het oosten doorgetrokken, tot aan het Gooierbos, de huidige Bosberg. Na veel onenigheid met Holland is hiermee de achtergrens van de veenontginning vastgelegd. Als scherpe grens tussen het veengebied en de oostelijk gelegen zandgronden van de Heuvelrug werd in 1470 de zogeheten ‘Rade Gruppel’ uitgezet, de huidige Eyckensteinse Laan. In 1535 eigende de Hollandse graaf zich het noorde lijke hoogveen toe. De huidige oostgrens van de gemeente Baarn was toen de grens tussen Holland en het Sticht.

Turfwinning
Het veen in de Vechtplassen was van hoge kwaliteit. Al vroeg, in de 14de eeuw, was in het noorden het land in cultuur gebracht met het oog op turfwinning. Aan het begin van de 17de eeuw werd de turfwinning grootschalig aan gepakt, vanwege de toenemende vraag uit Amsterdam. Grote veenplassen bij Loosdrecht en Ankeveen waren midden 18de eeuw hiervan het gevolg. Ondanks ophoging van de grond met Amsterdams stadsvuil verdween een eeuw later het riviertje de Drecht en de Schinkeldijk vrijwel geheel in de Loosdrechtse Plassen. Ook de Weersloot loste in het water op. Slechts kleine stukjes land geven de oude lijnen nog aan. Van het Breukelerveen verdween bijna de gehele verkaveling. Slechts een smalle strook van de tweede ontginningsbasis, de Oudeweg (nu Kalverstraat) en het lintdorp Breukelerveen met een stukje achterland bleven over. Ook in Westbroek en in Achttienhoven werd turf gewonnen. Bevreesd voor wateroverlast bij de stad verboden de Staten van Utrecht in 1790 verdere turfwinning 
in Westbroek. Het Oostveense gebied bleef weidegebied en moest uit overwegingen van veiligheid droog blijven.

Turfvaarten
Voor het turftransport naar Utrecht en Amsterdam werden vaarwegen aangelegd, die via sluizen in verbinding stonden met de Vecht. Daarvoor werden vaak bestaande zijsloten van de ontginningen benut, zoals de Tienhovensche Vaart, de Achttienhovensche Vaart-Klopvaart met evenwijdig daaraan de Kerkeindse Vaart, de Maarsseveensche Vaart en de Nedereindsche Vaart-Waterbroekse Vaart. Vanaf de 16de eeuw waren er plannen om een vaarroute tussen de Vecht en de Eem te graven. De bisschop van Utrecht, die het Soesterveen in ontginning had genomen, realiseerde de eerste verbinding. Langs Maartensdijk liet hij de Praamgracht aanleggen. In de tweede helft van de 16de eeuw bouwde bisschop Frederik Schenk hier zijn jachtslot Toutenburg. De Praamgracht sloot via de Maartensdijksche Vaart (voorheen de Groote Vaart) aan op het Zwarte Water. Dit afwateringskanaal was al eind 12de eeuw gegraven als Veengraft en liep onder Blauwkapel in rechte lijn naar de Oude Vechtmeander (nu Keizersgracht). Na 1960 is het Zwarte Water grotendeels gedempt.

 

Slot Zuilen

Overige informatie
De volgende presentaties, artikelen en websites bieden interessante aanvullende informatie over ...

aardkundige waarden
 TELLURIS-R2 -Vechtstreek-gedetailleerde gebiedsbeschrijving
-   TELLURIS-R3 - het Vechtplassengebied
-   Geowaarden zuid Noord-Holland
-   Geowaarden-Utrecht
-   Geowaarden-stroomruggen-Vecht-Utrecht

In het gebied zijn de volgende GeoSites aanwezig en heeft de provincie de volgende  aardkundige monumenten benoemd:
-   de Vecht/Aetsveldsche polder/Weesp-Muiden

-   Naardermeer