Nieuwe Hollandse Waterlinie

bijgewerkt 26-06-2018

Verdediging tegen de vorige oorlog
De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een 85 kilometer lange noordzuidlopende waterlinie tussen de Zuiderzee en de Biesbosch. Het Utrechtse deel ervan bevindt zich direct ten oosten van de Vecht en de Vaartsche Rijn met inbegrip van Utrecht. De waterlinie bestaat uit een hoofdweerstandslijn, verdedigingswerken en open, laaggelegen, terrein, dat onder water kan worden gezet. De forten verdedigen delen die niet onder water gezet kunnen worden zoals stroomruggen, hooggegelegen wegen en spoordijken en waterwegen als rivieren en kanalen. (acces?) Vrij zicht en vrij schootsveld werden onder meer gegarandeerd door de Verboden Kringen, denkbeeldige cirkels rond de forten, waar slechts beperkte (houten) bebouwing (?), was toegestaan. Betonnen groepsschuilplaatsen, gedekte wegen en voorposten vulden de verdediging aan. Voor de inundatie zorgden vele sluizen, stuwen, duikers en kanalen. Ter regulering van het waterpeil verdeelden dwarskaden het inundatiegebied in kommen. Door camouflage liggen de linies nog steeds verborgen in het landschap. Het gehele complex van sluizen, forten en andere werken dat in 1815 was gepland, werd omstreeks 1885 voltooid. Een ingenieus inundatiesysteem met een uitgewerkt controle- en onderhoudsprotocol was ontwikkeld. In de jaren daarna is er nog voortdurend aan de forten verbouwd, tot aan de mobilisatie van 1939. Camouflage door ‘wegplanting’ in de omgeving was niet meer voldoende vanwege de dreiging vanuit de lucht (vanaf?). Tijdens de mobilisatie van 1914-1918 werd met tussenstellingen en uitgebreidere loopgravenstelsels de weerstandszone sterk verbreed, vooral rond Utrecht. Driemaal is de Nieuwe Hollandse Waterlinie in staat van verdediging gebracht (1870, 1914, 1939), tweemaal is de linie gedeeltelijk onder water gezet: in mei 1940 als opvangstelling van de Grebbelinie en in 1944-1945 door de Duitsers als Hintere Wasserstellung, zowel aan de oostkant als aan de westzijde. Maar het uiterst verfijnde inundatiesysteem is nooit werkelijk op de proef gesteld.
Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht                

 

Geschiedenis
Tijdens de Bataafse Republiek kwam de patriot Cornelis Kraijenhoff met de eerste plannen voor een nieuwe waterlinie. Napoleon gaf hem in 1811 de opdracht zijn plan uit te werken tot een ‘vrai ligne de l’Empire’ tussen de Naarden en Gorinchem, als onderdeel van het Franse verdedigingsstelsel. Tot aan Nieuwersluis volgde de nieuwe linie het tracé van de Oude Hollandse Waterlinie. Vanaf Nieuwersluis zou de waterlinie de Vecht gaan volgen, met een halve cirkel oostelijk om Utrecht heen en langs de Vaartsche Rijn tot Vreeswijk. Dit was hetzelfde beloop als de geplande Utrechtse Linie uit 1629. Over de Lek moest de linie aansluiten op het tracé van de oude linie, dat in 1787 oostwaarts was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge.

 

Inrichting: forten langs een waterlijn
In 1672 werd de kracht van een waterlinie aangetoond, toen een Frans leger, 100.000 man sterk, werd tegengehouden door de Oude Hollandse Waterlinie. Sindsdien is de Nederlandse wijze van verdedigen definitief verschoven van vestingsteden naar waterlinies, gebaseerd op uitgebreide én voorbereide inundaties en een aanvullende versterking op de droogblijvende plekken. Het zijn in het landschap vrijwel onzichtbare systemen, die voortdurend zijn verfijnd en aangepast aan militaire ontwikkelingen. Op betrekkelijk eenvoudige, maar vernuftige wijze kon daarbij gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van waterbeheersing in het Utrechts-Hollandse veengebied.