Waterschappen

bijgewerkt 23-06-2018

Ouder dan alle andere bestaande bestuursorganen zijn de waterschappen. Sinds het begin van de grote ontginningen in de 12de eeuw was de zorg voor de waterstaat toevertrouwd aan lokale of regionale organisaties die in de 19de eeuw ‘waterschappen’ gingen heten. De aanleg in 1122 van een dam bij Wijk bij Duurstede, die niet lang daarna werd opgenomen in een doorgaande Lekdijk, leidde tot het oudste samenwerkingsverband op het terrein van de waterstaat in ons land. Het belang van goede zorg voor deze dijk was zo groot dat men het toezicht op het onderhoud van de dijk niet versnipperd aan plaatselijke heren wilde overlaten. Nadat in 1230 een rivieroverstroming grote schade had aangericht, werd op initiatief van de Hollandse graaf Floris IV in 1234 een algehele dijkverzwaring uitgevoerd. Floris’ broer Otto, toen electbisschop van het Sticht, stelde een dijkgraaf aan die als landsheerlijk functionaris toezicht op het dijkonderhoud kreeg. De dijkgraaf voerde regelmatig inspecties uit in het bijzijn van lokale bestuurders en had de bevoegdheid om de eigenaren langs de dijk, de ingelanden, te bestraffen als zij zich niet aan hun onderhoudsplichten hielden. Wie bijvoorbeeld rijshout of palen stal uit een van de waakhuizen, die bestemd waren voor het dichten van een dijkdoorbraak zou, aldus een verordening uit 1620, ‘aen een pael gegeesselt ende voorts uijt den lande van Utrecht verbannen werden’. De Utrechtse uitvinding van een dijkgraaf zou ook elders navolging krijgen en de functie bestaat nog steeds.

Hoogheemraadschappen en grootwaterschappen als dijkbewakers
Na een dijkdoorbraak bij Vreeswijk in de winter van 1321 wilden bisschop Jan van Diest, de kapittels en de Utrechtse burgers invloed op de dijkschouw krijgen. Begrijpelijk, want zij hadden veel betaald om een kostbare dijkreparatie mogelijk te maken. Voor het toezicht op de dijk tussen de Amerongen en de IJsseldam bij Klaphek werd in 1323 het ‘Hoogheemraadschap van den Lekdijk Bovendams’ opgericht, dat naast een dijkgraaf uit een vast college van heemraden van de bovengenoemde belanghebbenden bestond. Vijf jaar later, in 1328, passeerde de oprichtingsakte van het ‘Hoogheemraadschap van den Lekdijk Benedendams en van den IJsseldam’, dat voor de dijk tussen de IJsseldam en Schoonhoven zou gaan zorgen. Bij Amerongen en bij de IJsseldam staan nog steeds de hardstenen palen die het toezichtgebied van deze hoogheemraadschappen markeren. Wie door Wijk bij Duurstede loopt, ziet diverse midden 18deeeuwse hardstenen paaltjes met een nummer en soms een ook een letter ‘H’ van hoefslag. Deze palen stonden op de Lekdijk aan de landzijde en zijn met de dijkverzwaring in 1987 opgeruimd. Sinds de 17de eeuw gaven deze ruim 600 paaltjes de dijkvakken (slagen) van de Lekdijk Bovendams aan, die door de aanwonenden onderhouden moesten worden volgens het oeroude principe ‘wie water deert, die water keert’. Langs de Lekdijk Benedendams zijn er meer hoefslagpaaltjes bewaard gebleven. Al sinds de 12de eeuw is dit poldermodel van verhoefslaging toegepast. De aanwonende ingelanden of geërfden vormden samen met grondeigenaren van de achterliggende landen, die ook belang hadden bij droge voeten, het dijkleger. Bij dreigende dijkdoorbraak werden zij met klokgelui van de dorpskerken achter de dijk opgeroepen te verzamelen bij de waakhuizen aan de dijk, waar zij de ‘dijkwapens’ (schoppen e.d.) toebedeeld kregen van de dijkmeester. Benedendams was de 19 kilometer lange Lekdijk nog veel kwetsbaarder voor overstromingen, maar is daar door streng toezicht sinds 1751 niet meer bezweken. Langs dit dijkvak werd midden 19de eeuw een tiental waakhuispalen geplaatst. Deze markeerden de wachthuizen, merendeels boerderijen, die als verzamelplaatsen voor het dijkleger waren aangewezen. Bij een waterstand van 2,7 meter onder de dijkkruin (klokkeslagpeil), werd de kerkklok van Jaarsveld geluid die door andere kerken werd overgenomen. Bij nachtelijk ontij zette men op de waakhuispalen een lantaarn. Na 1810 gingen de hoogheemraadschappen het onderhoud zelf doen. De dijkplichtigen betaalden dan een contributie. Oorspronkelijk werd driemaal per jaar een schouw gehouden: in het voorjaar omdat de dijk in de winter veel te lijden had gehad van hoog water en ijsgang, in de zomer voor inspectie van het opgedragen herstel en in het najaar of de dijk ‘winterklaar’ was. Met soms wel veertig man, inclusief gewapende begeleiding, trof het bestuur van ‘Bovendams’ elkaar vanuit Vreeswijk en Amerongen halverwege bij de Heul (Schalkwijk), waar in het huis van de dijkmeester een overvloedige maaltijd werd gebruikt. Vervolgens kon men nog terecht bij de naburige herberg De Nadorst. Als een (hoef)slag was afgekeurd dan werd de schade terstond gerepareerd en moest de onderhoudsplichtige ter plekke een boete betalen. Hier komt de naam bandijk vandaan, de hoge rivierdijk die gerechtelijk geschouwd werd. Het geïnde bedrag werd dan deels weer in de herberg besteed. Het college van Lekdijk Benedendams hield sinds 1675 haar vergaderingen in het Dijkhuis te Jaarsveld, dat in 1903 vervangen werd door een fraai neorenaissance gebouw pal achter de dijk, met vergaderkamer die uitzicht had op de rivier. Bijna zeven eeuwen hebben de hoogheemraadschappen bestaan, totdat zij in 1994 opgingen in het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. Maar nog steeds bestaat er een dijkleger, eigen personeel dat regelmatig oefent en dat wordt opgeroepen als de waterstand bij Lobith tot 16,15 meter boven NAP komt. Het toezicht op de staat van de waterkerende dijken was een taak van de hoogheemraadschappen en grootwaterschappen. Naast de beide hoogheemraadschappen van de Lekdijk hadden we in het westelijk deel van de provincie nog het Hoogheemraadschap Amstelland (1525), het Hoogheemraadschap van Zeebrug en Diemerdijk (1438), het Grootwaterschap van Woerden (1322) en het Grootwaterschap De Ronde Veenen (1674). Voor het gebied van de Gelderse Vallei was er het Hoogheemraadschap van de Bunschoter Veen- en Veldendijk (1603), het Hoogheemraadschap van de Rivier de Eem, beken en aankleve van dien (1616), het Veenraadschap der Geldersche en Stichtsche Veenen (1545) en het College ter directie van den Slaperdijk (1653). Deels waren het ook overkoepelende organen die de gemeenschappelijke belangen van de polder-besturen behartigden.

 

Dijkmagazijn van het waterschap De Rhenensche Nude en Achterbergsche Hooilanden.uit 1892, voor reparatiebenodigdheden aan de Grebbedijk.

Detail grenspaal van het Hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams bij Amerongen.

Waterschappen voor waterbeheersing
Waterschappen zijn gegroepeerd naar afwateringseenheden en zijn ontstaan uit poldereenheden en gerechten. Soms beperkte hun taak zich tot het onderhoud en beheer van een aantal weteringen, een windmolen met boezem en vliet of een polderkade. Dankzij een uiterst zorgvuldig beheer is Laag-Nederland leefbaar gebleven. Maar het waterschapsstelsel was wel erg verbrokkeld en ingewikkeld. Zorg voor de eigen detailafwatering leidde regelmatig tot conflicten met de buurwaterschappen. Met allerlei getrapte organisatievormen en reglementen werd dit zo goed mogelijk opgevangen. In Nederland waren er meer dan duizend organen belast met de waterstaatszorg. In 1850 kende ons land nog 3500 waterschappen, nu zijn het er nog maar 24. Nog in 1970 telde de provincie Utrecht 126 waterschappen. De afwatering van de Utrechtse waterschappen die in het begin vooral op de Rijn, Vecht, IJssel en Eem plaatsvond, werd door daling van de bodem en dichtslibbing van de rivieren steeds problematischer. Het werd nodig het water omhoog te brengen. Dat gebeurde vanaf de 15de eeuw met windmolens. Eeuwenlang hebben deze molens het waterpeil in de polders en waterschappen op de gewenste hoogte gehouden, tijdelijk opgeslagen in boezems en via molenvlieten uitgeslagen op de rivieren. De uitvinding van de stoommachine betekende het einde van het grootste deel van de zo markante molens. In de provincie Utrecht hebben meer dan 250 poldermolens gestaan. De 35 overgebleven molens worden nu gekoesterd. Dankzij veel onderzoek konden de locaties van bijna al deze windmolens achterhaald worden. Aan de bulten en bouwsels in de polders zijn de plekken van enkele verdwenen molens nog te herkennen. Met meer gemak en niet meer afhankelijk van wind gingen vanaf 1870 de stoomgemalen het water wegwerken. Stoomaandrijving maakte begin 20ste eeuw plaats voor de dieselmotor, spoedig gevolgd door elektrische aandrijving.

 

Fusiegolven
De grondwet van 1848 bracht meer eenheid in de organisatie der waterschappen. Voorheen regelde vaak het ambachts- of dorpsbestuur ook de waterschapszaken. In 1858 werd door de provincie Utrecht een Algemeen Reglement voor de polders en waterschappen opgesteld. In deze tijd zien we de eerste samenwerkingsverbanden en fusies ontstaan. Uniek in Nederland was de Utrechtse situatie dat meerdere waterschappen één gemeenschappelijk bestuur konden hebben. Na wat kleinere fusies in de jaren 1950-1960 ging het vanaf 1970 hard. In de provincie Utrecht bestaan nu nog maar drie waterschappen, waarvan hun werkingsgebied over de provinciegrenzen reiken: Vallei en Veluwe, in 2013 ontstaan met oorspronkelijk negen Utrechtse waterschappen, Amstel, Gooi en Vecht (1997) en De Stichtse Rijnlanden. Deze laatste is in 1995 trapsgewijs gevormd niet minder dan 71 waterschappen. Deze hadden in de jaren zeventig al een eerdere fusie ondergang tot vier waterschappen: Kromme Rijn (in 1971 uit 5 waterschappen), Lopikerwaard (in 1974 uit 27 waterschappen), Leidse Rijn (in 1980 uit 6 waterschappen) en Groot Woerden (in 1975 uit 33 waterschappen). Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden werd nog aangevuld met de stedelijke gebieden van de gemeenten Utrecht, De Bilt en Maarssen. De taken der waterschappen werden uitgebreid. Veilige dijken, droge voeten, schoon water en beheer van een aantal vaarwegen zijn nu de basistaken. Naast beheersing van de waterkwantiteit is ook de zorg voor de waterkwaliteit aan de waterschappen opgedragen. Voorts zijn de rioolwaterzuiveringsinstallaties van de gemeenten overgenomen.