Reliëf op de Gooise stuwwal

bijgewerkt 06-03-2020

bron: © bureau's

ir. L.J. Keunen & ir. J. Neefjes
20-04-2018

Ten geleide
In deze rubriek wordt een gebied vanuit een thematische invalshoek toegelicht. Daarbij is steeds leidend geweest dat het besproken gebied de kern vormt, maar dat er ruimtelijke en oorzakelijke verbanden bestaan met de landschappen daaromheen.

Vanwege de bruikbaarheid voor promotionele doeleinden hebben we afgezien van het plaatsen van voet- of eindnoten, gebruikelijk als wetenschappelijke verantwoording. In plaats daarvan is aan het eind van dit document een lijst met geraadpleegde literatuur opgenomen.

Historische ontwikkeling

Een vaste woonplaats
Als we ons het landschap van de midden-steentijd, ruim 5000 jaar voor Christus, voorstellen, dan zien we het volgende beeld. Westelijk van de stuwwal van het Gooi lagen uitgestrekte venen, toen nog grotendeels broekvenen met dicht elzen- en wilgenbroekbos. Op de stuwwal zelf stonden dichte loofbossen met hier en daar open plekken. Deze bossen hadden zich na de laatste ijstijd, die omstreeks 12.000 jaar geleden eindigde, via verschillende stadia kunnen ontwikkelen. De mesolithische mens jaagde en verzamelde in deze bossen en op de rand van de aangrenzende venen. In deze periode ontstonden er in het Gooi hier en daar al stuifzanden als gevolg van bosbranden.

In de late steentijd, omstreeks 4000 voor Christus, deed de landbouw vanuit het zuiden zijn intrede in onze omgeving. Als gevolg daarvan kozen mensen meer en meer een vaste plek om te wonen. Er werd nu niet meer alleen uit het landschap geoogst, maar ook werd vee gehouden en gewassen werden op kleine akkertjes ingezaaid. De bevolkingsdruk op de hogere delen van het Gooi werd geleidelijk zo hoog, dat herstel van bossen onmogelijk werd. Het landschap werd daardoor steeds opener. Dat gold vermoedelijk in de eerste plaats voor de bossen op de leemarme dekzandranden tegen de stuwwal, want daar herstelde het bos zich het moeilijkst. De meeste aanwijzingen voor landgebruik uit deze periode in het Gooi stammen echter van locaties met zogenaamde moderpodzolbodems op de hoogste delen van de stuwwal.

Op die stuwwal gaat het om materiaal dat door gletsjers is opgestuwd. Het materiaal is relatief rijk, terwijl de dekzanden tegen de flanken veel leemarmer en stuifgevoeliger zijn. Op deze moderpodzolbodems zijn archeologisch vooral aardewerk en graven aangetroffen. Vuursteen is doorgaans westelijker, op de dekzandafzettingen aan de rand, aangetroffen. Mogelijk moeten we hieruit opmaken dat er een verschillend gebruik van verschillende delen van de stuwwal bestond.

Grafheuvelgroepen
In de late steentijd, bronstijd en/of ijzertijd werden enkele graven van leden van de lokale gemeenschap afgedekt door grafheuvels. Deze grafheuvels verbergen de grafrituelen van de toenmalige bevolking. In de late steentijd en bronstijd werden de lichamen in hurkende houding op hun zij begraven, terwijl er in de late bronstijd en vroege ijzertijd sprake was van urnengraven. Daardoor is de inhoud van deze grafmonumenten heel gevarieerd. Van het hele Gooi inclusief Baarn zijn er 60 met zekerheid geïdentificeerde grafheuvels bekend. Daarnaast zijn er dertien mogelijke en acht verdwenen grafheuvels, die slechts deels onderzocht zijn.

Bodemkaart van de stuwwal van het Gooi. Met een ster is de ligging van Zonnestraal aangegeven.

De grafheuvels van uiteenlopende ouderdom liggen in drie groepen, namelijk twee rijen (van respectievelijk drie en vier heuvels) met een oost-west-oriëntatie en een rij van zes heuvels met een noord-zuid-oriëntatie. De rij van zes heuvels ligt in de lengte over een langgerekte terreinhoogte. Van een solitaire heuvel iets noordelijker is niet duidelijk of het om een grafheuvel of een veel jongere kogelvanger gaat. Verder noordelijk liggen aan de Sparrenlaan nog eens drie grafheuvels. Mocht er inderdaad sprake zijn van heuvels uit heel verschillende perioden, dan heeft men kennelijk in de late bronstijd of vroege ijzertijd bewust aansluiting gezocht bij heuvels die reeds langere tijd in het landschap aanwezig waren. In één situatie is er duidelijk een relatie tussen de ligging op een lijn en het terreinreliëf; voor een duidelijke ligging langs een prehistorische route, zoals elders wel wordt vermoed, is hier geen bewijs.

Ten noorden van de Noodweg, vlakbij het driehoekige heideterrein, ligt een heuvel in het bos die mogelijk ook als grafheuvel geïdentificeerd kan worden. Nader onderzoek is hier nog nodig.

Benamingen voor bodems
In de tekst noemen we op verschillende plekken de benamingen van bodems. Het zijn benamingen voor de gelaagdheid die we herkennen als we een profielwand van een bodem aanleggen of een boring zetten. De meest voorkomende bodems in het Gooi zijn podzolbodems. Deze naam komt uit het Russisch en verwijst naar de askleurige uitspoelingslaag in de bodem. Deze gelaagdheid ontstaat onder invloed van eeuwenlange blootstelling aan regenwater dat in de bodem wegspoelt (‘inzijgt’).Podzolbodems kennen een bovenlaag die rijk is aan organische stof (verteerd plantenmateriaal), daaronder een bleekgrijze laag waaruit bepaalde metalen door regenwater werden uitgespoeld, dan de inspoelingslaag waar die uitgespoelde deeltjes achterbleven, en daaronder de natuurlijke bodem. Deze ondergrond staat onder leken wel bekend als ‘het gele zand’.Binnen de groep van podzolgronden bestaan, afhankelijk van de bodemrijkdom van het uitgangsmateriaal, meerdere typen. Het gaat dan bijvoorbeeld om niet-humusrijke moderpodzolgronden (ook wel oude bosbodems genoemd) en om sterk uitgeloogde veldpodzolgronden.In stuifzanden komt over het algemeen weinig bodemvorming voor, omdat ze vaak relatief kort geleden nog gestoven hebben. Dan spreken we over vaaggronden.


Interesse voor de prehistorie in de 19e eeuw
Een deel ervan lijkt in de 19e eeuw door nieuwsgierige lokale amateurarcheologen onderzocht te zijn. Notaris en wethouder Albertus Perk (1795-1880) was vermoedelijk onder hen. Eén van de heuvels op de Hoorneboegse Heide kende sporen van een dubbele paalkrans, die in het verleden om de heuvel gestaan kan hebben, een andere heuvel vertoonde sporen van een randgreppel. De mogelijke activiteit van Perk is exemplarisch voor de interesse die overal in Nederland in de 19e eeuw ontstond voor prehistorische monumenten in het landschap. De opkomst van de Romantiek speelde bij de ontwikkeling van de interesse voor ‘het mysterieuze’ een belangrijke rol. Met name de lokale bovenklasse, zoals artsen, notarissen, dominees, pastoors en leraren, waren overal in het land pioniers en grondleggers van de lokale heemkundige interesse.

Akkercomplex uit de late prehistorie
Westelijk van de grafheuvelgroepen zijn in 2012 raatakkers, ook wel bekend als celtic fields, aangetroffen. Deze raatakkers bestonden uit velden van 35 tot 40 m breed en lang, omsloten door wallen van 30 tot 100 cm hoog, aan de basis 8 tot 10 meter breed. Op de velden zijn in de bodem duidelijke akkerlagen te herkennen. Het celtic field liep mogelijk naar het zuidoosten, tot voorbij de Utrechtse Weg, door.

Het is in de eerste plaats een duidelijke indicatie dat het in de late prehistorie goed boeren moet zijn geweest op de stuwwal. De goede begaanbaarheid ten opzichte van de omliggende veenmoerassen was uiteraard een eerste reden om zich hier te vestigen. Prehistorische boeren kozen daarbij ook nog eens voor rijkere zandgronden, moderpodzolen. Die lagen vaak op gestuwde rivierzanden, waaruit de stuwwallen van Midden-Nederland zijn opgebouwd. Het raatakkercomplex van Hoorneboeg past daarmee in een rijtje van dergelijke akkercomplexen in Zeijen (Drenthe), Tubbergen (Twente), nabij Doorn en te Vaassen, Ede en Wekerom (Veluwe). Een datering van het complex is lastig vast te stellen. Het is gedurende meerdere eeuwen gebruikt. In zijn algemeenheid werden de eerste raatakkers aangelegd in de bronstijd, omstreeks 1200 voor Christus, en werden ze tot de midden-ijzertijd relatief extensief gebruikt. Daarna volgde tot in de Romeinse tijd, die 12 voor Christus in Nederland begon, een intensievere gebruiksfase. Uit de ijzertijd is ook aardewerk in de wallen van dit akkercomplex aangetroffen. Elders in het land zijn voorbeelden van boerenerven bekend die in het raatakkercomplex waren gebouwd. Iets dergelijks is vanwege het beperkte onderzoek hier nog niet bekend, maar het is heel goed mogelijk.

Uit houtskoolonderzoek weten we dat voorafgaand aan en tijdens het gebruik van het akkercomplex het hout van eik, wilg, appel/peer/meidoorn, den en sleedoorn is verbrand. Of het gaat om verbrand constructiehout of om brandhout is niet te zeggen, maar het laat wel zien dat er in de nabijheid dennen op wellicht verstoven gronden voorkwamen. Dennenhout kan mogelijk ook van het nabijgelegen hoogveen vandaan komen. Van sleedoorn is interessant dat arme zandgronden niet de natuurlijke standplaats zijn. Het kan op de raatakkers als perceelsscheiding zijn gebruikt. Datzelfde geldt voor (kruip)wilg, een wilgensoort die het ook goed doet op droge zandgronden. Eik domineerde echter in de genomen monsters. Uit de monsters blijkt ook dat de oude bodem onder de opgeworpen wallen van de raatakkers al eerder door de mens beïnvloed was. Het zou om eerdere akkerbouw of een nabijgelegen erf kunnen gaan. Als gevolg van latere ontwatering van de omliggende venen is het mogelijk dat de grondwaterstand destijds hoger stond dan tegenwoordig. Dat kan invloed hebben gehad op de bruikbaarheid van de bodems voor de landbouw, die wellicht beter was dan we ons nu op de droge heide kunnen voorstellen.

Ondergrond bepaalt menselijk gebruik

De droge Hoorneboegse heide, op 10 tot ruim 12 meter +NAP, vormde door zijn rijke zandgronden (moderpodzolbodems) in gestuwde rivierzanden en mogelijk hydrologisch iets gunstiger omstandigheden (hogere grondwaterspiegel) dan tegenwoordig een ideële plek voor de laat-prehistorische mens om zich te vestigen. Dat blijkt allereerst uit de aanwezigheid van de grafheuvels, die deels ook weer op kleinere terreinhoogten liggen. Mogelijk heeft men hier voor de zichtbaarheid voor de passanten met het reliëf gespeeld. Het naastgelegen celtic field is daarvan een tweede voorbeeld. Mogelijk haalde men zijn water uit de naastgelegen venen, meer precies de veenstroompjes. Vermoedelijk heeft de mens pas in de late ijzertijd of Romeinse tijd dit woongebied verlaten.

Figuur 1.2. Situering van grafheuvels en het celtic field op de Hoorneboegse Heide nabij Zonnestraal. 

Menselijk gebruik vormt landschap

Al in de late prehistorie heeft de mens invloed gehad op het uiterlijk van het landschap rond Zonnestraal. Daarbij is het geleidelijk opener worden van het landschap, dus het verdwijnen van het dichte bos, het beste voorbeeld. Elders op het Gooi ontstonden al in het mesolithicum stuifzanden als gevolg van bosbranden. Tevens heeft de mens het reliëf beïnvloed door in het celtic field wallen op te werpen. Ook de grafheuvels maken onderdeel uit van het terreinreliëf. Op het aangrenzende veenlandschap heeft de mens in deze periode vermoedelijk juist relatief weinig invloed gehad. De leefwereld van de prehistorische mens speelde zich in belangrijke mate op en aan de flanken van de stuwwal af.

Zichtbare zaken in het landschap

  • Enkele grafheuvelgroepen op de Hoorneboegse Heide;
  • De raatakker is vanwege de geringe hoogteverschillen en de relatief hoge bodembegroeiing (heidestruiken) in het terrein niet waarneembaar.