Onderbouwing-‘s-Graveland

bijgewerkt 28-05-2020

bron: © bureau's

’s-Graveland is een gelaagd, ontworpen landschap waar achtereenvolgens landbouw, zandwinning en buitenplaatsaanleg centraal stonden. Het eindresultaat van deze ontwikkeling laat uit elke fase en ontwikkeling nog fraaie kenmerken zien en oogt als een Gesamtkunstwerk, uit vele delen.

Historische ontwikkeling

Pre- en protohistorie: Archeologische vondsten uit ’s-Graveland zijn zo goed als onbekend. De vondsten die gedaan zijn, stammen uit de oostelijke ontginningen, met name het Corversbosch en het huidige Nimrodpark. Het gaat hierbij vooral om vuursteenvondsten uit de steentijd.

Ontginning en landgebruik: de vroegste ontginningsgeschiedenis van het huidige buitenplaatsenlandschap van ’s-Graveland is vergelijkbaar met die van een ander deel van de randzone van het Gooi, namelijk Zonnestraal. In 1625 werd een verzoek van enkele Amsterdamse kooplieden, Reynier Pauw en Pieter Cornelisz. Hooft, om tot ontginning van twee deelgebieden, het Eerste Blok en het Tweede Blok, door de Staten van Holland ingewilligd. De Erfgooiers maakten bezwaar en kregen uiteindelijk in 1634 gedaan dat alleen het Eerste Blok daadwerkelijk werd uitgegeven. Wel werden drie oost-westverbindingen aangelegd, zodat de Hilversummers nog met hun vee naar de weidegebieden in Ankeveen en Kortenhoef konden. Langs de zuidelijke van de drie mocht een vaart worden aangelegd.

Het geheel werd in zes loten van elk tussen de 90 en 100 morgen groot verdeeld. De ontvangers van de zes loten waren Cornelis Davelaar (1), Abel Mathijsz Burgh (2), Benedictus Schaek (3), Andries Bicker (4), Reijnier Pauw, Mr. Jan Ingel, Jhr. Godert van Reede en Pieter Cornelisz. Hooft (5) en Anthony Oetgens van Waveren (6). De beschikbare 27 kavels waren verdeeld over de zes loten.

Er verrezen niet meteen buitenplaatsen maar agrarische bedrijven, op de akkers werden gewassen verbouwd en ook uit het opgaand hout haalde men profijt. De oostzijde van het concessiegebied werd gemarkeerd door een scheiwal.

Een belangrijk deel van ’s-Graveland lag oorspronkelijk onder een veenlaag. Alleen in het zuidoostelijke deel kwam geen veen voor. Er lagen enkele oost-westlopende zandruggen, die ten behoeve van de stad Amsterdam werden afgegraven. Via de ’s-Gravelandse Vaart werd het zand afgevoerd. De schepen die terugkeerden brachten stadsafval als mest mee.

Aan het rechthoekige ‘Eerste Blok’ werden op latere momenten nog nieuwe ontginningen toegevoegd. Het Trompenveld en Naarderveld (1731) konden worden ontgonnen als gevolg van een herverdeling van markengronden onder de dorpen. Ze werden, alhoewel onderling verschillend, aanvankelijk extensief gebruikt, later afgezand en vervolgens bij enkele bestaande buitenplaatsen getrokken. Een derde ontginningsfase is die van het Spanderswoud en Corversbos (1775-1843). In vrij korte tijd werd de woeste grond van het Corversbosch tot bouwland gemaakt. Bij het Spanderswoud liep het trager. In tegenstelling tot de oudere delen van ’s-Graveland kwam hier stuifzand voor, een gevolg van eerdere overexploitatie. De akkerbouw die er op kleinere schaal gepleegd werd, moet heel marginaal zijn geweest. Net als op andere plekken  met droge, zure haarpodzols met weinig leem en plaatselijk grofzandig lukten de ontginningen ook hier niet. Ook werd er afgezand. In de negentiende eeuw speelden vooral bebossingen een belangrijke rol. De ontginningen van het bosgebied ten oosten van ’s-Graveland, inclusief de wijken Nimrodpark en Trompenberg in de gemeente Hilversum, kunnen dus niet los van ’s-Graveland worden gezien.

Waterbeheer: aan de westzijde werd omstreeks 1634 de ’s-Gravelandse Vaart gegraven, die de nieuwe ontginning over water een verbinding met Amsterdam moest geven. Langs de vaart lag een jaagpad. In 1650 volgde de aanleg van de Gooisevaart, die op de ’s-Gravelandse Vaart uitmondde. Over de vaart werden passagiers, maar ook goederen als zand en turf vervoerd, en werd mest aangevoerd. Men waterde af via enkele sluisjes in de ’s-Gravelandse vaart. De inwoners van Loosdrecht klaagden herhaaldelijk over een teveel aan ’s-Gravelands water. De Gooisevaart voerde ook kwelwater uit het Gooi af naar de ’s-Gravelandse Vaart, waarmee water dat verloren ging bij het schutten, aangevuld werd.

Buitenplaatsontwikkeling: aanvankelijk hadden de bedrijven op de uitgegeven kavels in veel gevallen vooral een economisch doel, zoals we hiervoor beschreven hebben. De Amsterdamse kooplieden zochten profijt, en de stad moest gevoed worden. Wel werden na verloop van tijd aan de houten boerderijen op elke kavel landheerskamers gebouwd. Brambergen is daarvan nog een goed voorbeeld. In een aantal gevallen, zoals Trompenburgh en Schaep en Burgh, was al vrij snel een landhuis voorzien. In de achttiende eeuw kwam de nadruk meer dan voorheen op het (langer aaneengesloten) aangenaam verblijf te liggen en kwamen tuinen en parken geleidelijk in de plaats van agrarisch grondgebruik. Het landschap van ’s-Graveland was dynamisch: huizen werden gebouwd en verbouwd, en tuinen en parken werden herhaaldelijk aan de laatste mode aangepast. Zandwinning leverde geld voor de buitenplaatsontwikkeling op.

                            toegevoegd door Geopark
Onder de welgestelden die vanaf de zeventiende eeuw in ’s-Graveland woonden zien we bekende families uit de Amsterdamse elite van die tijd. Soms zien we ook dwarsverbanden met terreinen elders in het Gooi, zoals Frans Ernst Blaauw, die Gooilust in ’s-Graveland bezat, maar ook zorgde dat het buiten Loosdrechtse Bos één geheel bleef in de late negentiende eeuw.

Noemenswaardig is het bijzondere buiten Silisburgh (later: Trompenburgh), waarvan het huis in 1678 werd gebouwd in opdracht van admiraal Cornelis Tromp, op de resten van een eerder huis Hooge Dreuvik uit 1654. Vanaf de belvédère van zijn huis kon hij de zee zien. In de jongere ontginning oostelijk van het oudere deel van ’s-Graveland lag de Trompenberg (in de gemeente Hilversum), waar in de negentiende eeuw een sanatorium zou verrijzen. Tromp liet zijn naam op verschillende plaatsen in het huidige landschap achter.

Ondergrond bepaalt menselijk gebruik

’s-Graveland grenst direct aan de veenontginningen uit de volle en late middeleeuwen. Deels lag er nog veen, deels lag ’s-Graveland al op het zand. Die landschappelijke ligging heeft ertoe geleid dat het gebied tot in de zeventiende eeuw nog niet in ontginning genomen was. Door de toegenomen bevolkingsdruk vanuit Amsterdam ontstond er vanaf 1619 stedelijke interesse voor deze marginale randen van het bestaande cultuurland. De aanwezige ondergrond leidde ook tot zandwinning, een activiteit die voortgezet werd op de gronden verder naar het oosten: de commerciële exploitatie van de zandgronden schoof steeds verder naar het oosten op. Tegelijk zorgde de combinatie van een concentratie van stedelijk grondbezit en de mogelijkheid het landschap naar eigen hand in te richten tot het ontstaan van buitenplaatsen, waar men de vieze stedelijke lucht kon ontvluchten.

Menselijk gebruik vormt landschap

We herkennen in ’s-Graveland vooral het rationeel patroon van een orthogonale inrichting, gebaseerd op de uitgegeven 27 kavels die als oost-weststroken in het rechthoekige ontginningsblok lagen. Deze kavels hebben de basis gevormd door het landschap dat hier gevormd werd. De belangrijkste ingreep in de ondergrond was de zandwinning, zowel in het westelijke oudere, als het oostelijke jongere deel van de buitenplaatsen. Niet zelden zijn de huidige landbouwpercelen afgegraven, terwijl dat onder de huidige bossen niet of veel minder gebeurde.

Op het vlak van de landschapsinrichting is vooral de omvorming van agrarische bedrijven naar buitenplaatsen, en daarbinnen de omvorming van de Franse naar de Engelse tuinstijlen, noemenswaardig. In combinatie met de aanwezige bebouwing ontstond een lommerrijk buitenplaatsenlandschap op de flank van het Gooi.

Mens en water

Het water werd in ’s-Graveland vooral als een transportmiddel gebruikt. Buitenplaatsbewoners en hun bezoekers konden eenvoudig per trekschuit tussen Amsterdam en ’s-Graveland pendelen, terwijl zand per vrachtschuit naar Amsterdam kon worden afgevoerd. Deels werd de ’s-Gravelandse Vaart ook gebruikt voor het afvoeren van turf uit Kortenhoef en Ankeveen.

Zichtbare zaken in het landschap

  • De hoofdstructuur van ’s-Gravelandse Vaart , oost-westgerichte verkaveling en wegenpatroon daarlangs;
  • Het fijnere patroon van vaarten op de perceelsgrenzen, zoals de Kerkvaart en de Gooise Vaart;
  • De buitenplaatsen op de verschillende kavels, met hun landhuizen, tuin- en parkinrichting en relicten van zandwinning in het reliëf;
  • Plaatselijke relicten van de scheiwal uit 1634 op de grens met de jongere heidebebossingen;
  • Grote delen van de structuur van het oostelijke ontginningsblok met heidebebossingen en ruimtelijke begrenzingen, vooral in de vorm van infrastructuur;
  • Relicten van ontginning tot landbouwgrond in het Corversbosch, met de daarbijhorende Corvershof.

Perspectief

Grote delen van ’s-Graveland zijn beschermd als rijksbeschermde buitenplaats, als rijksmonument of als gemeentelijk monument. Het westelijke deel van ’s-Graveland, daterend uit 1634, is in zijn geheel bovendien beschermd als rijksbeschermd dorpsgezicht. Datzelfde geldt voor het bebouwde deel van het jongere oostelijke ontginningsblok (Nimrodpark). Daarmee is wettelijk geborgd dat de ruimtelijke veranderingen in het oudste deel van ’s-Graveland beperkt zullen zijn. Noemenswaardig is ook dat de Vereniging Natuurmonumenten, waarvan het hoofdkantoor in ’s-Graveland gevestigd is, zijn bezittingen hier in het recente verleden heeft uitgebreid. Het behoud van de rijkdom van de buitenplaatsen is één van de kerndoelen van Natuurmonumenten en dat draagt zeer bij aan de toekomst van goed beheer.

 

Bronnen:

  • Coops, Ton, 2001. Het Bos van Blaauw in ’s-Graveland (en Hilversum). Tussen Vecht en Eem, 19e jaargang, nr. 3, september 2001, p. 143-152.
  • Daams, J., 1973. Het ’s-Gravelandse landschap, vroeger en nu. Tussen Vecht en Eem, jaargang 3, afl. 3, mei 1973, p. 50-62.
  • Daams, J., 1984. De ontwikkeling van het landschap in ’s-Graveland, Kortenhoef en Ankeveen. Tussen Vecht en Eem / Vrienden van het Gooi, 2e jaargang nr. 2, mei 1984, p. 51-59.
  • Daams, J., 1991. De ’s-Gravelandse kralen. Tussen Vecht en Eem, 9e jaargang, nr. 3, september 1991, p. 163-167.
  • Goedemans, B., 1973a. Stichting van het dorp ’s Graveland. Tussen Vecht en Eem, jaargang 3, afl. 3, mei 1973, p. 29-35.
  • Goedemans, B., 1973b. Het landgoed “Schaep en Burgh”. Tussen Vecht en Eem, jaargang 3, afl. 3, mei 1973, p. 42-45.
  • Goedemans, B., 1973c. Iets over de wasserijen. Tussen Vecht en Eem, jaargang 3, afl. 3, mei 1973, p. 46-49.
  • Haartsen, Adriaan & Ben Olde Meierink, 2011. Inventarisatie watererfgoed van hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Lantschapsstudies 120. Bureau Lantschap, Haaften.
  • Hooijer, C.R., 1971. Het sociale leven in ’s Graveland in het begin der vorige eeuw. Tussen Vecht en Eem, jaargang I, afl. 9, september 1971, p. 174-180.
  • Huisman, Jaap, 2006. De restauratie van Trompenburg. Tussen Vecht en Eem, 21e jaargang, nr. 1, maart 2006, p. 19-22.
  • Mensch, Peter J.A. van en Ed. E. van Mensch, 1978. Frans Ernst Blaauw en Gooilust. Tussen Vecht en Eem, jaargang 8, afl. 3, september 1978, p. 66-71.
  • Meyer, H.H.M., 1981. Het Tweede Blok. Holland. Regionaal-historisch tijdschrift, 13e jaargang, nummer 1, februari 1981, p. 46-57.
  • Meyer, H.H.M., 1984. Amsterdamse ontginningen in het westen van Gooiland. Een bijdrage tot de historische geografie van een Goois grensgebied. Tussen Vecht en Eem / Vrienden van het Gooi, 2e jaargang nr. 2, mei 1984, p. 60-78.
  • Mous, Hans, 2010. Hoge Heren en Lage Streken. Conflict tussen Loosdrecht en ’s-Graveland om de afwatering (1751-1768). Tussen Vecht en Eem, 28e jaargang, 2010, p. 46-54.
  • Out, J.V.M., 1978. Een veiling op Gooilust. Tussen Vecht en Eem, jaargang 8, afl. 3, september 1978, p. 72-74.
  • Tromp, Heimerick & Jacob Six, 1975. De buitenplaatsen van ’s-Graveland. Kerckebosch, Zeist.
  • van Boetzelaer, R.W.C., 1975. Aanleg van de straatwegen van ’s Graveland via Hilversum naar Soestdijk en van Hilversum via Maartensdijk naar Utrecht in de jaren 1826 en 1827. Tussen Vecht en Eem, jaargang 5, afl. 1, februari 1975, p. 12-25.
  • van der Aa, O.L., 1973. Wat weten wij van de ’s-Gravelandse buitenhuizen? Tussen Vecht en Eem, jaargang 3, afl. 3, mei 1973, p. 37-42.

 

Interessante publicaties