Landgoed- en buitenplaatsvorming in het Gooi

bijgewerkt 07-03-2020

bron: bureau's

ir. L.J. Keunen & ir. J. Neefjes
20-04-2018

Ten geleide
In dit document wordt een gebied vanuit een thematische invalshoek toegelicht. Daarbij is steeds leidend geweest dat het besproken gebied de kern vormt, maar dat er ruimtelijke en oorzakelijke verbanden bestaan met de landschappen daaromheen.

Vanwege de bruikbaarheid voor promotionele doeleinden hebben we afgezien van het plaatsen van voet- of eindnoten, gebruikelijk als wetenschappelijke verantwoording. In plaats daarvan is aan het eind van dit document een lijst met geraadpleegde literatuur opgenomen.

Historische ontwikkeling

Het Loosdrechtse Bos als landgoed
Het begin van de landgoedvorming ligt in de late 18e of vroege 19e eeuw. De bouw van de eerste opzichters- en/of bouwmanswoning door Jongeneel wordt wel op 1801 of 1802 gedateerd, terwijl in dezelfde periode ook het bos opnieuw ingeplant moet zijn. Door brandgangen gescheiden zouden er eikenhakhout, dennen, sparren en beuken zijn aangeplant. Vanaf dat moment mogen we bovendien spreken van een bescheiden landgoed, dat meer was dan alleen maar een terrein voor productie. Waarom we dat mogen aannemen blijkt uit het volgende.

Het kadastraal minuutplan (figuur 1.) dat in 1827 werd getekend laat duidelijk een strak ingericht gebied zien, met afwisselend loof- en naaldbos, bouwland, weiland en een erf. Het geheel had de vorm van een ruit, en ademt duidelijk een ontworpen geheel. De weg van Hilversum naar Utrecht, de Bosweg (de huidige weg Loosdrechtse Bos), sneed door het gebied. Het huis met het adres Loosdrechtse Bos 3 staat op de plek van de oude opzichters- of bouwmanswoning die vermoedelijk uit de vroege 19e eeuw dateerde. De eigenaar in die periode was een zekere heer Van Lexmond van den Berg. Waar het Loosdrechtse Bos eerder een deel van een groter landgoed was dat zich tot in Loosdrecht uitstrekte, stond het in 1827 op zichzelf. Deze heer Van Lexmond van den Berg bezat namelijk geen landerijen in Loosdrecht meer.

Figuur 1. De kadastrale verdeling van 1827 verraadt enigszins hoe het landgoed er op dat moment uitzag, met (dennen)lanen en daarbinnen bosvakken. Het enige huis stond op de plek van de huidige boswachterswoning.

Interessant is de terreininrichting van het Loosdrechtse Bos die we uit deze kaart kunnen afleiden. Esthetiek moet bij het maken van het ontwerp ook een rol hebben gespeeld, want het landgoed was ook een statussymbool. Over het terrein liepen al in 1827 enkele lanen. Deze waren vermoedelijk met naaldhout beplant. Achter de woning lag een laan in de richting van de Kerkelanden. Deze functioneerde als zichtas vanuit het huis. Onder een hoek op die zichtas stond een andere laan, die min of meer noord-zuid verliep. Aan de noordzijde kruiste deze een west-oost-lopende laan (nog bestaand, ook geheten Loosdrechtse Bos), waarna deze na een korte afstand doodliep. Op de plek waar deze laan doodliep, ligt nu nog een zwaar geërodeerd heuveltje (figuur 2.) vermoedelijk eens een uitzichtpunt. Al op de eerste Chromotopografische Kaart des Rijks, wel bekend als het bonneblaadje, uit 1873 staat dit heuveltje afgebeeld, bekend als de piramide. Zeer waarschijnlijk werd deze heuvel vóór 1827 als point de vu aan het einde van een laan aangelegd.

Figuur 2. De ‘piramide’, een element binnen het landgoed van vóór 1873 (foto: Jan Neefjes). Op de topografische kaart uit dat jaar herkennen we het heuveltje al (iets boven het midden).

Andere lanen uit hetzelfde patroon lagen langs de eerder besproken grote stuifwal, van daaruit naar het noorden, alsmede enkele kleinere lanen binnen het terrein. Twee doorlopende lanen en enkele kleinere lanen komen samen in een ganzevoet op de zuidoosthoek van de vroegere contour. In het oostelijk deel van het huidige landgoed zijn nog enkele majestueuze beukenlanen bewaard gebleven. Deze stammen gezien de dikte van de bomen mogelijk nog uit de late 19e eeuw. Aan de oostzijde van de opzichterswoning bestaan de zichtlijn en het bospad nog.

Bezitsontwikkeling in de 19e eeuw
Zoals we zagen was een zekere Van Lexmond van den Berg eigenaar van het Loosdrechtse Bos in 1832. Hij is naar alle waarschijnlijkheid te identificeren als Mr. Anthony Hendrik van den Bergh van Lexmond (1771-1842). Van den Bergh was een Amsterdams koopman die in 1814 lid van de nationale notabelenvergadering was. Hij was woonachtig aan de Amsterdamse Keizersgracht, maar had tevens buitenhuizen in Nigtevecht en Nieuwersluis. Hij was bovendien heer van Lexmond, Achthoven en Lakerveld, waaraan hij het tweede deel van zijn achternaam ontleende.

Zijn landgoed in Hilversum was aanvankelijk ruim 54 hectare groot. Nog vóór zijn dood verkocht hij de weg door zijn landgoed, de huidige weg Loosdrechtse Bos, aan zijn kleinzoon Pieter Theodorus Constantijn (1820-1885). Daardoor bleef er bij de verdeling in 1843 nog ruim 53 hectare over. Bij de verdeling kwam het hele landgoed toe aan de genoemde Pieter Theodorus Constantijn van den Bergh, eveneens heer van Lexmond en grootgrondbezitter, wonend te Amsterdam. Diens vader was in 1819 overleden, waardoor hij direct van zijn grootvader erfde. Het geheel was zijn eerste bezit in Hilversum.

Tot 1879 wijzigde er niets aan zijn landgoed. In dat jaar kocht hij een kleine 35 hectare aan dennen- en eikenbos aan de zuid- en oostzijde van zijn landgoed aan. Daartoe behoorde ook de omgeving van de later zo genoemde Zonneheide. In totaal was zijn landgoed vanaf dat moment zo’n 89 hectare groot. Hij had het bos aangekocht van zijn buurman Gerhard Eduard Moorman, die op Hilveroord (Hoorneboeg) woonde. Tevens liet hij de bijgebouwen van de woning op het terrein verbouwen. Na de dood van Pieter kwamen de onverdeelde goederen toe aan Henriëtte Jacoba Blaauw (1834-1894), echtgenote van Jhr. Mr. Egbert Lintelo de Geer (1822-1887) en consorten, woonachtig te Zeist. Henriëtte was een halfzus van Pieter uit het tweede huwelijk van hun moeder.

In 1886 werd de boedel opnieuw verdeeld, na de dood van één van de familieleden Blaauw. De kinderen van Quirijn Blaauw (1827-1884), eveneens behorend tot de Amsterdamse elite, waren nu eigenaar. Het landgoed bleef daardoor bijeen. In 1889 werd het geheel in opdracht van natuurbeschermer Frans Ernst Blaauw, wonend op Gooilust, namens meerdere erfgenamen in twee delen verkocht. Het plan om het gebied een recreatieve bestemming te geven was mislukt door de enigszins perifere ligging. Ook de verbouw van een oude houthakkerswoning tot uitspanning was geen succes.

Enkele beboste percelen aan de oostzijde werden verkocht aan Conrad Jan Hacke van Mijnden, burgemeester van Loosdrecht. De rest van het landgoed ging als één geheel naar Coenraad Jacob Temminck, grondeigenaar te Hilversum, en consorten, met Hendrik Arnold Claasen als mede-eigenaar, voor ƒ 30.000,-. Het landgoed was inclusief de beboste heide aan de zuidzijde toen nog bijna 81 hectare groot. Zij behielden het slechts enkele jaren in gezamenlijk eigendom, en kapten in die tijd veel bos, waardoor het geheel de helft minder waard was dan kort ervoor. In 1894 kwam het bij een verdeling toe aan Hendrik Arnold Claasen alleen. Toen hij het Loosdrechtse Bos toebedeeld kreeg, bezat hij al het nodige bos met een huisje en wat bouwland in Hilversum. Toen daar het Loosdrechtse Bos bijkwam, stond het totaal op ruim 93 hectare. Het bouwland was in deze periode zo verwaarloosd, dat het dries lag en als schapenweide werd gebruikt. Tegenwoordig is het een heideterrein. Hij richtte zich volledig op bosbouw, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij de bouwmanswoning had willen vervangen door een boswachterswoning. Tot uitvoering van die plannen uit 1910 kwam het onder zijn regie niet meer.

Het bezit van Claasen breidde zich ook daarna nog wel uit, maar niet direct tegen het Loosdrechtse Bos voor zover we weten. In 1911 verkocht hij zijn bezittingen aan Frederik Smidt. Daarmee ging een nieuwe fase voor het landgoed in. De bouwmanswoning was toen nog verhuurd.

Een buitenplaats op het landgoed
Een nieuwe stap in de ontwikkeling van het landgoed, dat vanouds bekend stond als Loosdrechtse Bos of Emtinckbos, naar de vroegere eigenaar Eduard Emtinck uit Loosdrecht, werd in 1911 gezet. Frederik Smidt (1859-1918), oud-bankier in Argentinië, kocht het terrein op 17 juni 1911 aan van de vorige eigenaar, Claasen. Hij ontwikkelde het tot een buitenplaats en liet een villa in tudorstijl bouwen. Deze villa was een bouwpakket, aangekocht bij de firma Boulton & Paul Ltd uit Norwich (Engeland) en opgebouwd door de firma G. Seppen. Het huis kreeg de naam De Pampahoeve. Achter de villa kwam een zichtas naar de Kerkelanden tot stand.

Daarnaast gaf hij opdracht het terrein daaromheen parkachtig in te richten, met veel zwierige lijnen, gazons, solitaire bomen en – in termen van landschapsarchitecten - ‘boskamers’. Langs de kronkelige wandelpaden en lanen, die deels nog aanwezig zijn en later in de periode-Zonnestraal zijn aangevuld met nieuwe paden, werden bosjuwelen gebouwd. Voorbeelden daarvan zijn een prieeltje aan het einde van de grote boskamer en vermoedelijk een droge vijver aan de overzijde van de Bosweg. De lanenstructuur uit de eerdere fase werd hier en daar wat aangepast, maar bleef in grote lijnen bestaan en herkenbaar. Nabij het huis, nog binnen de oude contouren van het bos, kwam een kwekerij tot stand. Ook in het noorden werd een klein perceel als kwekerij ingericht.

Niet alleen direct rond het huis werden er bochtige lanen aangelegd, maar ook in het noorden, achter de zichtheuvel uit de vroegere landgoedfase. Langs deze laan werden Amerikaanse eiken aangeplant. Zuidelijk van de oude landgoedkern werd vermoedelijk in deze periode het bos uit circa 1840 gekapt. Daardoor bevond zich zuidelijk van de buitenplaats De Pampahoeve weer een uitgestrekt heideterrein, de nu zo genoemde driehoekige Zonneheide.

De opzichterswoning werd in zijn opdracht in 1911 afgebroken en met een iets andere oriëntatie, namelijk op de weg, nieuw gebouwd. Het pand werd tot boswachterswoning en/of uitspanning herbestemd. Interessant is dat daardoor de 19e-eeuwse zichtas achter het huis niet meer in het verlengde van de as van het huis lag en de facto nutteloos werd. Dat kenmerkt het hele ontwerp van Smidt: hij wilde verrast worden. Zichtlijnen verdwenen daarmee deels.

Figuur 3. Het kadastraal kaartje van de nieuwbouw van de woning uit 1911 laat duidelijk zien dat de nieuwbouw (in rood) in vergelijking met de oude bouw (in potlood) geen rekening meer hield met de oude zichtas (bron: Topografische Dienst/Kadaster).

Nadat Smidt in 1918 was overleden, verkocht zijn weduwe het huis met alle gronden aan projectontwikkelaar J.J.L. van Hengel, directeur van de Centrale Grond Exploitatie Maatschappij te Hilversum.

Het landgoed De Pampahoeve werd in 1913 al geroemd om zijn natuurlijke schoonheid. De toenmalige bossen kenden forsche eiken en statige beuken, waaromheen sparren en dennen, knoestige (hakhout?)eiken en berken stonden. Die forse eiken en statige beuken dateerden toen mogelijk nog van de herinrichting van het gebied rond 1800.

Ontwikkeling van Hoorneboeg
Ondertussen had de tijd ook in de directe omgeving niet stilgestaan. Vanwege de ruimtelijke betekenis en de uitwisseling van grond belichten we ook de Hoorneboeg kort. In 1792 gaven de Erfgooiers deze Hoorneboeg, een hoog deel van de stuwwal, uit aan mr. Pieter van Loon uit Amsterdam. Hij liet er een jachthuis met de naam Hilverroode bouwen. Nadat zijn erfgenaam Jan Willem Calkoen het eerste huis in 1812 had laten afbreken, werd er een nieuw huis gebouwd. Mogelijk zorgde hij, of zijn opvolger Jacobus Henricus van Reenen, voor de parkachtige inrichting. Markant is nog steeds de doorlopende rij met beuken rondom de landgoedkern.

Figuur 4. De beukenlaan rondom het landgoed Hoorneboeg vanaf de Hoorneboegse Heide (foto: Jan Neefjes).

De heidebebossing van Sinkel
In 1837 kocht Michael Anton Sinkel van Domeinen een groot areaal heide. Hij kocht dat als aanvulling op het huis Hoornboeg, dat hij een jaar eerder aankocht.  Sinkel liet er een nieuw huis bouwen, dat hij Hilveroord noemde. Ook kwamen een gastenhuis (‘Rode Huis’) en de boerderij Stalheim tot stand. Nabij die boerderij werden bomen aangeplant, die bewust meerstammig werden opgekweekt en dus als sierelement beschouwd moeten worden. Ze staan nu buiten de omheining op de Hoorneboegse Heide.

Sinkel had vermogen opgebouwd met een aantal winkels in Amsterdam (1822), Utrecht (1824, 1839), Leeuwarden (1826), Rotterdam en Leiden. Zijn winkels droegen de nog altijd bekende naam Winkel van Sinkel. Na de dood van Sinkel hield de familie het geheel tot 1860 in eigendom. Daarna erfden twee zussen en broer Moormann het goed. Deze broer moest vanwege financiële problemen een deel van de percelen in 1878 verkopen.

 

De rest van Hilveroord werd verkocht aan Hendrik Meerland, Pieter Gerard Copijn en Pieter Copijn, mogelijk ten dienste van de restauratie van kasteel De Haar. Het huis werd in 1893 verhuurd, toen Emil Kiderlen († 1899) de nieuwe eigenaar werd. In zijn opdracht is mogelijk het huis verbouwd. De civiel-ingenieur Jacobus de Koning (1855-1906) werd na de dood van Kiderlen de nieuwe eigenaar. Hij zocht daar een nieuwe woning vanwege zijn functie als directeur van de N.V. Nederlandsche en Nieuw-Nederlandsche Petroleummaatschappijen. Kort voor zijn geplande terugkeer naar Nijmegen overleed hij. Zijn weduwe verkocht Hilveroord aan een broer en zus Pijnappel, die in het Rode Huis gingen wonen en een enorme collectie boeken aanlegden. We belichten hier de geschiedenis van de Hoorneboeg zelf niet verder maar verplaatsen onze blik naar het gedeelte van het landgoed dat in 1837 door Sinkel werd aangekocht.

Het einde van het tijdperk-Smidt
In maart 1918 stierf Frederik Smidt plotseling op zijn landhuis. Zijn weduwe bleef er niet en verkocht de buitenplaats. De landschappelijke situatie aan het einde van de periode-Smidt is heel mooi te herkennen op een bestandskaart die kort na de verkoop in 1919 werd gemaakt. Herkenbaar is dat de verdeling van (loof-)hakhout enerzijds en naaldhout anderzijds over het terrein in grote lijnen niet afweek van de situatie in 1827. Wel was het bouwland in het noordoosten inmiddels geen bouwland, maar heide. Toegevoegd als betrekkelijk grote nieuwe structuur was de kwekerij nabij het huis tegen de Kerkelanden, waar zich nu een bosperceel bevindt. Duidelijk is verder te zien dat de structuur van rechte lanen uit de 19e eeuw, die grotendeels gehandhaafd werden, werd dooraderd door bochtige wandelpaden. De droge vijver nabij de piramide staat ook op deze kaart afgebeeld, en moet – als één van de bosjuwelen - dus op zijn laatst door Smidt zijn aangelegd.

Figuur 5. De bestandskaart uit 1919 (bron: gemeente Hilversum).

Figuur 6. Het kaartbeeld van net na de Tweede Wereldoorlog, dat in feite de vooroorlogse situatie laat zien. We herkennen de kaalgekapte heide en de gebouwen van Zonnestraal, die aan de zuidzijde een open ruimte voor ‘licht, lucht en ruimte’ hadden. Daarbuiten was in 1921 nieuw bos aangeplant.

Ondergrond bepaalt menselijk gebruik

De aard van de ondergrond bepaalde in de voorgaande fase dat bebossing op dat moment het meest (economisch?) lucratieve grondgebruik op deze plek was. Deze fase van landgoedontwikkeling bouwt voort op deze eerdere heidebebossing. Daardoor is er een sterke correlatie tussen de arme zandondergrond en het gebruik van het terrein voor bosbouw. Dat betekent echter niet dat er geen directe relatie tussen de landgoedvorming en de ondergrond zou zijn. De verkoop door de Erfgooiers van de meest marginale heidevelden aan de randen van hun bezit in 1837 zorgde er uiteindelijk voor dat het landgoed Loosdrechtse Bos in de 19e eeuw flink kon worden uitgebreid. Het landschap werd vervolgens  gebruikt om accenten in de landgoedinrichting te leggen, zoals de zichtas van de bouwmans- of opzichterswoning richting de wat lager gelegen Kerkelanden.

Menselijk gebruik vormt landschap

De menselijke invloed op het (aardkundig) landschap in deze periode is vooral de aanleg van structuren, zoals de piramide en de droge vijver. Deze objecten werden ‘belevingsattracties’ binnen de buitenplaats, vooral bedoeld ter vermaak. Verder was ook de bebossing van de stuifzanden ten zuiden van het Loosdrechtse Bos een ingreep die ervoor zorgde, dat het natuurlijke reliëf hier niet verder veranderde. Alhoewel het later weer werd opengekapt, is het toen naar alle waarschijnlijkheid niet meer gaan verstuiven. Van verdere ingrepen in het terreinreliëf was in deze periode geen sprake.

Zichtbare zaken in het landschap

  • Zowel uit de ruitvormige 19e-eeuwse fase als uit de Pampahoeve-fase met zijn landschappelijke inrichting is er een groot aantal paden bewaard gebleven;
  • Langs een deel van die paden, zowel van de ruitvormige fase (vooral in het noordoostelijk deel) als van de Pampahoeve-fase (pad langs de droge vijver), zijn de oude laanbomen nog aanwezig.
  • Een deel van de bebouwing dateert nog uit de landgoed- en buitenplaatsfase, vooral de bouwmans- of opzichterswoning (later boswachterswoning) uit 1911 en de villa De Pampahoeve uit dezelfde periode;
  • De terreinrichting rond de villa De Pampahoeve, met zijn boskamers, dateert in aanleg nog uit de periode 1911-1918;
  • De driehoekige heide ten zuiden van de villa is een relict van vermoedelijk de kapwerkzaamheden in de periode-Pampahoeve, met oudere verstuivingsrelicten;
  • Verspreide relicten van historische bosbouw, waaronder hakhoutrelicten.

Tot besluit
Het landschap van en rond Zonnestraal kent een grote gelaagdheid als gevolg van meerdere duizenden jaren van landschapsvorming en menselijke activiteit in het gebied. In elke periode heeft men zijn eigen keuzes gemaakt ten aanzien van de bruikbaarheid van het gebied voor de gewenste activiteiten. Die bruikbaarheid werd voor een belangrijk deel, direct of indirect, bepaald door de ondergrond. Deze ondergrond was geen vast gegeven, maar die veranderde ook door menselijke invloed, zoals de veenontginningen, bebossing en de exploitatie van de stuifgevoelige zones langs de stuwwal, waardoor verstuiving plaats ging vinden.

Interessant ook is dat men niet in alle gevallen een heel bewuste keuze maakte om zich op die specifieke plek in het landschap te vestigen, maar dat die keuze soms werd ingegeven door bestaande eigendomsstructuren of landgebruik. Het feit dat men in 1683 een deel van het Tweede Blok verkocht ter beplanting en 150 jaar later het gebied zuidelijk daarvan voor bebossing heeft er mede toe geleid, dat zich hier een landgoed en vervolgens een buitenplaats kon ontwikkelen. Later werd de omgeving gebruikt voor de stichting van een arbeids- en nazorgkolonie voor tuberculosepatiënten. Zo bouwt de ene periode in de geschiedenis op de voorgaande voort. Soms ook slaat dat voortbouwen een aantal perioden over of wist daaruit sporen. De aanwezigheid van de grafheuvels speelt een rol in het hedendaagse toeristisch-recreatief gebruik van de aangrenzende Hoorneboegse Heide. Zo veranderen percepties over en wensen ten aanzien van het landschap.