Specifieke onderwerpen

bijgewerkt 08-03-2020

Naast het beschrijven van specifieke geo-locaties zoals Geo-hotspots, Geosites en Aardkundige Monumenten zijn er ook geo-fenomenen van meer algemene aard.

Zij worden hieronder kort benoemd en verwijzen door naar een eigen page.

 

Ouderdom van de aarde
bron: wikipedia

De ouderdom van de Aarde bedraagt volgens de wetenschappelijke consensus 4,5 tot 4,6 miljard jaar.

De Aarde ontstond volgens de meest aanvaarde theorie door accretie (samentrekken van materie) van de zonnenevel.

Het exacte moment waarop deze accretie plaatsvond is moeilijk te bepalen, omdat in de verschillende modellen voor accretie de lengte van het proces verschilt: van enkele miljoenen jaren tot 100 miljoen jaar. De exacte ouderdom van de Aarde is daardoor op dit moment niet nauwkeurig te bepalen.
zie verder ...

 

De aarde in geologische tijdperken
bron vnl. Wikipedia
Een geologische tijdschaal is een indeling van de geschiedenis van de Aarde in geologische tijdperken.De tijdvakken Paleoceen, Eoceen, Oligoceen, Mioceen en Plioceen vormen samen het Tertiair, op basis van het feit dat tijdens deze periodes de eerste primaten verschenen.Het Pleistoceen en het Holoceen vormen het Kwartair, de tijdspanne van de huidige ijstijd en relevant voor het Geopark.
zie verder ...

 

De evolutie van de mens
bron: vnl. Wikipedia
De neanderthalers leefden tot zo'n 40.000 jaar geleden in Europa. We weten iets over hen door de gevonden voorwerpen die ze maakten en de overblijfselen van hun eigen beenderen.

De eerste sporen van de vroege moderne mens in Nederland zijn gedateerd op het eind van het laatste glaciaal( einde Weichselien 12.700 jaar geleden). Nederland werd toen bevolkt door de rondzwervende, jagende mensen van de Hamburgcultuur.
zie verder ...

 

Veenvorming
Aan de aardoppervlakte komen niet overal venen voor. Aan de verbreiding ervan zijn grenzen gesteld die vooral bepaald worden door klimatologische, topografische en geologische omstandigheden.
Het veen is een organogeen gesteente dat wat de botanische samenstelling betreft van plaats tot plaats zeer sterk kan verschillen. De veenonderzoeker moet de veensoorten, zowel fysisch als botanisch van elkaar kunnen onderscheiden. Eerst dan zal hij in staat zijn een beeld te geven van de geologische bouw en van de genese van een veen.
Het Geopark Heuvelrug kent meerdere gebieden waarin door de eeuwen heen veen is gevormd. Voor een uittreksel met enkele hoofdstukken uit het nog steeds relevante en te gebruiken overzicht ‘Veenvorming’ van Dr. Jan Visscher uit 1949,
zie verder ...

 

Ontginning veengronden
Omstreeks de tiende eeuw begonnen mensen in West-Nederland met het droogleggen van de enorme veengebieden die daar lagen. Het creëren van nieuwe landbouwgrond was het belangrijkste doel. Door het graven van sloten liep het veen als het ware als een spons leeg. Daardoor kon akkerbouw op het veen plaatsvinden.  zie verder ...

Droogmakerijen en polders
Door het weggraven van het veen voor brandstofwinning kwamen er grote plassen in West-Nederland. Daarnaast waren er enkele meren die vooral door natuurlijke processen zelf waren ontstaan, zoals het Naardermeer en het Horstermeer.

Vanaf de zeventiende eeuw was het technisch en financieel mogelijk dit soort meren droog te leggen en als nieuw landbouwgebied in te richten. Het resultaat van die ontwikkeling noemen we droogmakerijen. zie verder ...

 

Waterlinies
De ontwikkeling van een ‘nationaal’ defensief systeem wat de waterlinies uiteindelijk zou worden kwam voort uit de strijd tegen de Spanjaarden vanaf het midden van de zestiende eeuw. In de overeenkomst van de Unie van Utrecht uit 1579 werd vastgelegd dat de Republiek een eigen leger zou krijgen, de Staatse troepen. Kort daarna werden op kleine schaal al inundaties uitgeprobeerd, zoals bij Vreeswijk. Bedreiging van Utrecht en Holland leidde uiteindelijk in 1589 tot een onderzoek naar een efficiënt militair systeem. zie verder ...

Waterwegen
Eeuwenlang was transport per schip het snelst en gemakkelijkst. Daarom waren de handelswegen, zeker voor grote afstanden, vooral waterwegen. De Rijn was één van Europa’s belangrijkste natuurlijke verkeersaders, die het Duitse Rijngebied met de landen aan de Noordzee verbond. In de middeleeuwen was Utrecht de belangrijkste internationale stad van de Noordelijke Nederlanden. Met nieuwe vaarten en kanalisaties wist Utrecht verbinding met de Rijn te houden, terwijl Wijk bij Duurstede wegzakte in de vergetelheid. Maar ook Utrecht moest zijn meerdere erkennen in Amsterdam, dat vanaf de 17de eeuw de Rijnvaart overnam en Utrecht met een groot kanaal rechts passeerde.
zie verder ...

 

Hoe de Rijn door Nederland stroomde
Op veel plaatsen in midden-Nederland vinden we rivierzand in de bodem dat ooit door de Rijn is afgezet.
Alleen de stuwwallen van de Heuvelrug en Veluwe uit de voorlaatste ijstijd hebben de Rijn sindsdien tegengehouden.
De Rijn was al wel bezig zich tussen Rhenen en Wageningen toegang te verschaffen tot de Gelderse en Eemvallei maar dat is door menselijk ingrijpen (dijken) voorkomen. zie verder ...

 

Zandwinning in het Gooi
Op de hoger gelegen zandgronden van het Gooi is het altijd betrekkelijk eenvoudig geweest om zand, grind of leem te winnen. Het kon door individuele boeren gemakkelijk worden weggegraven. Vanaf de zeventiende eeuw ontstond vanuit de uitbreidende steden, en met name vanuit Amsterdam, een grote behoefte aan zand. Het werd al vroeg gebruik gebruikt als ballast in schepen, en vanaf de zeventiende eeuw vooral om de slappe veenbodem op te hogen teneinde woningbouw of wegenaanleg mogelijk te maken. Vanaf dat moment werd de zandwinning grootschalig. zie verder ...

 

Het Gooi, van alle tijden
Van de zandgronden zijn losse vondsten bekend van vuurstenen afslagen van verschillende paleolithische culturen. Vanaf het Mesolithicum neemt het aantal vondsten sterk toe en in de jonge steentijd (Neolithicum), vanaf ca 4500 jaar v. Chr., is sprake van sedentaire bewoning. De begroeiing van de zandgronden bestond tot dan toe hoofdzakelijk uit loofbossen, want de kleine, zwervende gemeenschappen verstoorden de vegetatie maar in geringe mate. Kenmerkend voor het laat-neolithicum en de daaropvolgende periode, de bronstijd, zijn de opgeworpen grafheuvels. De grafheuvels liggen meestal in groepjes bij elkaar; ze zijn nu bijna alle beschermde archeologische monumenten. De bewoning in de bronstijd is gegroepeerd in een aantal boerderijen op de open plekken in het bos. Bij de overgang van zwerflandbouw naar raatakkerbouw neemt de invloed van de mens op het landschap toe. Een raatakkker (ook Celtic field genoemd) is een kleine, min of meer vierkante of rechthoekige aaneensluitende akker. Bossen worden gekapt en de pioniervegetatie heide verspreidt zich over de kale zandgronden. De vingerafdruk van de mens op zijn omgeving krijgt meer en meer zijn beslag. Met de sedentaire landbouw in het Gooi begint in dit gebied het Antropoceen. zie verder ...

 

Reliëf op de Gooise stuwwal
Als we ons het landschap van de midden-steentijd, ruim 5000 jaar voor Christus, voorstellen, dan zien we het volgende beeld. Westelijk van de stuwwal van het Gooi lagen uitgestrekte venen, toen nog grotendeels broekvenen met dicht elzen- en wilgenbroekbos. Op de stuwwal zelf stonden dichte loofbossen met hier en daar open plekken. Deze bossen hadden zich na de laatste ijstijd, die omstreeks 12.000 jaar geleden eindigde, via verschillende stadia kunnen ontwikkelen. De mesolithische mens jaagde en verzamelde in deze bossen en op de rand van de aangrenzende venen. In deze periode ontstonden er in het Gooi hier en daar al stuifzanden als gevolg van bosbranden. zie verder ...

 

Bosbouw in het Gooi
Centraal in deze tekst staat het bebossingsproject van het Loosdrechtse Bos vanaf 1683. Die ontwikkeling snappen we echter niet als we niet eerst kijken wie de aanwezige vroegere bossen en heidevelden gebruikten: de Erfgooiers. Daarna bespreken we de vroegere bosfasen in het gebied en het gebruik van de woeste gronden daaromheen. Vervolgens zoomen we in op de pogingen om een deel te ontginnen respectievelijk te bebossen. zie verder ...

 

Landgoed- en buitenplaatsvorming in het Gooi
Het begin van de landgoedvorming van landgoed Loosdrechtse Bos ligt in de late 18e of vroege 19e eeuw. De bouw van de eerste opzichters- en/of bouwmanswoning door Jongeneel wordt wel op 1801 of 1802 gedateerd, terwijl in dezelfde periode ook het bos opnieuw ingeplant moet zijn. Door brandgangen gescheiden zouden er eikenhakhout, dennen, sparren en beuken zijn aangeplant. Vanaf dat moment mogen we bovendien spreken van een bescheiden landgoed, dat meer was dan alleen maar een terrein voor productie. zie verder ...

 

Vecht bij Loenen,Jan de Beyer 1750

De Vechtstreek, van alle tijden
Ongeveer 3000 jaar geleden veranderde de Vecht van een klein veenstroompje in een zijarm van de Rijn. De Rijn brak in het zuiden door en nam het oude veenstroompje op in zijn nieuwe route. Deze rivier nam op zijn lange weg vanuit de Alpen grond (grind, zand, leem en klei, afhankelijk van de grootte van de deeltjes) mee. Dat materiaal bereikte niet allemaal de zee. Bij overstromingen stroomde het water over het aangrenzende land en voerde die gronddeeltjes mee. Het zware grind haalde de oevers niet eens, en bleef op de rivierbodem achter. Zand en leem werden dicht bij de rivier op de oevers afgezet, terwijl de kleinere kleideeltjes verder met het steeds langzamer stromende water landinwaarts werden meegenomen. Dat zorgde ervoor, dat op de oevers kleine ruggetjes van zand en leem ontstonden: de oeverwallen. Landinwaarts vormden de kleine kleideeltjes een veel compacter pakket, de zogenaamde komklei in de lager gelegen komgebieden. zie verder ...