Geo-Hotspot 180a- De Oud Wulven – Brinkroute

bijgewerkt 05-01-2022

Een bijdrage van Stichting Nationaal Landschapskundig Museum ‘Telluris’, H.A. Visscher

Voor het complete boekje met alle afbeeldingen, klik hier.

Geo-Hotspot: Houten, de Oud Wulven – Brinkroute

waar en hoe een oud brinkdorp ons rivierenland verstedelijkte

 

Dit wandelgidsje gaat met name over het sterk verstedelijkte Utrechtse dorp Houten dat op een vrij brede gordel enkele duizenden jaren oude zandige afzettingen van het rivierengebied is gelegen.

De brochure is aflevering 180 van een reeks gewijd aan gebieden waar de bodem, het reliëf en andere bovengronds zichtbare landschapskenmerken ons duidelijk laten zien welke invloed natuurlijke processen en de mens er op de ontwikkeling hadden. Aangegeven wordt waaruit een en ander valt af te leiden.

Speciale aandacht krijgen daarbij twee wandelroutes waar dit goed kan worden waargenomen en we dus op geopad kunnen gaan. Het meest tot de verbeelding spreken er de oude dorpskern, monumentale boerderijen en woningen van de voormalige landwegen en restanten van natuurlijke waterlopen. Bezienswaardigheden van recente datum zijn de structuur en architectuur van een 20ste-eeuwse stationsbuurt, die aan een Romeins castellum doet denken en een verdedigingslinie lijkende, met laanbomen beplante vijfkante aarden omwalling.

Voorwoord
Wie wil weten waardoor een gebied werd zoals het nu is, kan veel hebben aan hetgeen de Aarde daarover vertelt. Zowel de grond onder onze voeten als het reliëf om ons heen bieden daar vaak allerlei informatie over. Daarbij tonen ze behalve effecten van natuurlijke  processen ook de invloed die de mens op de ontwikkelingen uitoefende.

Om profijt te hebben van de informatiebron Aarde moeten wij haar taal wel verstaan. Bij een wandeling door het sterk verstedelijkte oude dorp Houten kan deze brochure dan als een soort tolk fungeren. Ze is aflevering 180 van een reeks vergelijkbare uitgaven over gebieden waar de bodem- en reliëfkenmerken ons veel te zeggen hebben.

In elke aflevering wordt eerst in het kort iets over de ligging en aard van het betreffende gebied medegedeeld. Dan volgt een hoofdstuk over de natuurlijke processen die er plaatsvonden en de invloed die de mens op de ontwikkeling van het gebied had. Hierna beschrijven wij nog een wandel- of fietsroute waar bodem en reliëf de geschetste ontwikkeling duidelijk laten zien. Een dergelijke route wordt wel Geopad genoemd.

De reeks brochures met beschrijvingen van zulke routes verschijnt dan ook onder het motto “Op geopad”.

Om welk en wat voor gebied gaat het?
De plaats Houten ontstond middenin een vrij breed deel van een gordel enkele duizenden jaren oude zandige rivierafzettingen die geschikt bleken voor de akkerbouw en fruitteelt.

Begin vorige eeuw was Houten nog weinig meer dan een door grote akkercomplexen omgeven dorpje waar na 1935 geen reizigerstreinen meer stopten.

De nabijheid van de centraal gelegen, vrij grote stad Utrecht en de goede bereikbaarheid vanuit die plaats zouden er echter toe leiden dat het Rijk tweemaal besloot de groei van Houten te bevorderen waardoor Houten sinds de zeventiger jaren uitgroeide tot een plaats met enkele tienduizenden inwoners. Voor de bereikbaarheid van het nieuwe stadje zou daarom zelfs tweemaal een spoorwegstation worden geopend.

De uitbreidingen gebeurden op een nogal bijzondere wijze waarbij de nieuwe wijken om de beide stations werden gegroepeerd. Opmerkelijk is ook dat Houten in- en uitrijdend gemotoriseerd verkeer eerst naar een rondweg wordt gedirigeerd. Verder valt op dat de afzonderlijke wijken zodanig voor het verkeer werden ontsloten dat auto’s en vrachtwagens vrijwel nergens rechtstreeks van de ene buitenwijk naar de andere kunnen rijden. Fietsers zou echter meer bewegingsvrijheid worden geboden. Bovendien is er voor hen een fijnmazig net rijwielpaden aangelegd.

Bedrijventerreinen werden vooral buitenlangs de Rondweg gesitueerd. Dat gebeurde er voornamelijk in de buurt van de autosnelweg A 27, dus aan de westkant van de bebouwde kom.

Het pas sinds 1997 gebouwde zuidoostelijk deel van Houten vertoont ook enkele andere bijzondere kenmerken. Zo werden de er centraal gelegen buitenwijken omgeven door een met laanbomen beplante vijfhoekige omwalling die enigszins lijkt op de verdedigingslinies waarmee veel oude steden zich vroeger omgaven. Mogelijk zelfs uniek is dat de structuur en architectuur van de dichtbebouwde stationsbuurt doen denken aan een als castellum bekende, militaire nederzetting van de Romeinen.

Een deel van het rivierengebied
Het zuidwestelijk deel van de Kleine Betuwe behoort tot de streken waar enkele duizenden jaren terug door de grote rivieren gevormde afzettingen ook thans nog aan de oppervlakte liggen. Dergelijke streken komen slechts weinig voor. Doordat het bodemmateriaal dat de grote rivieren aanvoerden de laatste duizenden jaren voor een belangrijk deel steeds in dezelfde gebieden bezonk, werden de sedimenten die ze achter lieten namelijk vaak al spoedig weer door ander materiaal overdekt.

De vrij oude rivierafzettingen vormen een noordwestwaarts lopende gordel die bij Houten breder is dan elders. De sedimenten van de gordel bestaan uit overwegend grofzandig materiaal. Dat is over het geheel genomen kleiarmer en grindrijker dan het bodemmateriaal van de nadien nog in het rivierengebied gevormde afzettingen.

De sedimenten van de gordel vrij oude rivierafzettingen werden neergelegd in en langs stroombeddingen die reeds in de Romeinse Tijd droog lagen. Daarbij valt op dat de stroombeddingen plaatselijk een min of meer vlechtend systeem vormden dat een brede zone innam. Die afwijkende geo(morfo)logische gesteldheid zou verband kunnen houden met de omstandigheid dat de rivier geregeld veel grof materiaal van de nabije Utrechtse Heuvelrug te verwerken kreeg.

In de omgeving van Houten liggen de oudere rivierafzettingen van de Kleine Betuwe ongeveer twee meter boven NAP en hun omgeving.

Het vroegere agrarische grondgebruik
De relatief droge en vruchtbare rivierafzettingen waarop Houten ontstond werden al snel na hun vorming een aantrekkelijk leefmilieu. Ze zouden dan ook reeds sinds de bronstijd nu en dan worden bewoond. Ook de Romeinen hadden belangstelling voor het gebied van Houten. Dat bleek bij grondverzet naast de oude kerk van het dorp, toen er restanten van een van hun “villa’s” werden aangetroffen. De villa’s waren domicilies van voornamelijk agrarische bedrijven.

Het bestaan van een nederzetting Houten werd al in de tiende eeuw gemeld. Ze werd toen echter Haltna of Haltnon genoemd. Het is nog niet duidelijk wat die naam betekende. Mogelijk werd er de aanwezigheid van houtopstanden mee bedoeld.

Het dorpsgebied bleef tot in de vorige eeuw aantrekkelijk voor boeren die er op grote schaal met succes akkerbouw en fruitteelt konden bedrijven. Bovendien lagen als graas- en hooiland geschikte gronden niet zo ver weg. Dat was vooral bij de randen van de zone zandige rivierafzettingen het geval. Even ten zuidwesten van Houten zou daardoor zelfs het ruim twee kilometer lange lintdorp Houtense Wetering ontstaan.

Omstreeks het begin van de vorige eeuw gepubliceerde topografische kaarten geven ons nog een goed beeld van de invloed die de geostructuur had op het agrarisch grondgebruik.

Zo is er duidelijk op te zien dat akkerbouw en fruitteelt bij Houten in een ongeveer twee kilometer brede strook goed mogelijk waren en ook de wat zuidoostelijker gelegen vroeg middeleeuwse buurtschap Loerik daarvan profiteerde.

Noordelijk van Houten liggen de boerderijen van de buurtschap Oud Wulven te midden van de voor “drogere” landbouw geschikte gronden. Aan de oostkant van de huidige bebouwde kom lag een noordelijke uitloper van de zandige rivierafzettingen en akkerrijke gronden. Die kenmerkte zich door een meer verspreide agrarische bebouwing. Bij de Odijkseweg ontstond er echter een minilintdorp.

De latere uitbreiding van Houten over de akkerrijke zone was ook ingrijpend doordat er de Kooikersplas werd gegraven.

In het lintdorp Houtense Wetering blijken de meeste boerderijen aan de wat dichter bij de graasgronden gelegen zuidwestkant van de weg te zijn gelegen.

De over het algemeen pas later in de Middeleeuwen ontgonnen graas- en hooilanden van de lager gelegen gebieden werden doorgaans bloksgewijs in evenwijdige strookvormige kavels verdeeld.

Dat gebeurde veelal vanuit een lintdorp en tot een bepaalde grens. Bij het lintdorp Houtense Wetering zouden de kavels zuidwestwaarts tot aan de Schonauwer Wetering worden verlengd. Als gevolg daarvan werden de meeste kavels er ruim anderhalve kilometer lang.

Op ongeveer zeshonderd meter van het lintdorp kwam de smalle Hoonwetering in de ontgonnen zone te liggen.

In het midden van de vorige eeuw werd de zone bij het graven van het Amsterdam-Rijnkanaal vrijwel overlangs doorsneden. Dat gebeurde tot op ongeveer een kilometer afstand van Houtense Wetering.

Bij de grens met de gemeente Bunnik verdween een west-oost georiënteerd complex strookvormige kavels grotendeels door de noordelijke uitbreidingen van Houten.

Noordoostelijk van Houtense Wetering was ook een complex akkers strooksgewijs verkaveld. De richting waarin de kavels zich er uitstrekten week echter iets af van de oriëntatie zuidwestelijk van Houtense Wetering. Het complex strookvormige akkers verdween bij de zuidwestelijke uitbreidingen van Houten.

De meeste boomgaarden werden bij de boerderijen geplant. De dorpskern raakte er dan ook geheel door omgeven terwijl ze bij het lintdorp Houtense Wetering een twee kilometer lange gordel zouden gaan vormen. Bij de latere uitbreidingen van Houten zijn bijna alle boomgaarden verdwenen. Zeldzaam werden ook de houtsingels die sommige groepen strookvormige kavels van de graasgronden markeerden. Die ontwikkeling begon al voor de verstedelijking.

Op een enkele plek is nog een restant van een oude boomgaard in een plantsoen behouden gebleven.

De verstedelijking
Houten recent sterk verstedelijkt
De afgelopen veertig jaar groeide het oude dorpje Houten uit tot een plaats met ruim 40.000 inwoners, die meer en meer een stedelijk karakter kreeg. Bevorderlijk voor deze ontwikkeling waren zowel de nabijheid van de grote oude stad Utrecht en het dichtbevolkte deel van de Utrechtse Heuvelrug als de ligging van de plaats in de naaste omgeving van een belangrijke spoorlijn naar het zuiden en de autosnelweg A 27.

De verstedelijking werd trouwens gestimuleerd door het Rijk dat Houten in 1966 aanwees als een groeikern en er in 1988 een zogenaamde Vinex-locatie plande. Door de aanwijzing als groeikern kon Houten in een vrij groot gebied ongeveer 8000 woningen bouwen. Daarmee werd in de loop van de zeventiger jaren begonnen. Voor de bebouwing van de Vinex-locatie werd een gebied ten zuidoosten van de inmiddels gerealiseerde groeikern gereserveerd. De eerste woningen verrezen er in 1997. Twintig jaar later lagen er nog slechts twee terreinen bij de spoorlijn te wachten op bebouwing.

Vanwege de uitbreidingen van Houten als groeikern kreeg de plaats in 1982 weer een spoorwegstation. Later zou ook de bereikbaarheid van de Vinexlocatie worden verbeterd door de bouw van een station. Dat werd in 1910 geopend.

Een opvallend bijzonder kenmerk van de plaats is dat de naoorlogse buitenwijken er rond de beide stations werden gegroepeerd. En zouden worden omgeven door de bochtige Rondweg. Die moest worden verlengd toen ook de vinexlocatie werd bebouwd. Het zuidoostelijke deel van de kortere oorspronkelijke Rondweg bleef toen in gebruik als een hoofdontsluiting die de vergrote bebouwde kom in tweeën deelde.

De Rondweg werd aan de westkant van Houten verbonden met het knooppunt Houten van de A 27. De verbinding volgt het tracé van een voormalige oude waterkering die bekend was als de Koedijk. Thans wordt met de Koedijk echter het weggetje naar de kasteelboerderij van het voormalige oude landgoed Wulven bedoeld.

Bij de vroeger vooral als Koedijk bekende voormalige waterkering ligt de hoeve De Staart, waarnaar de verbinding met de A 27 werd genoemd.

Buiten de Rondweg mocht zich vooral in de buurt van de autosnelweg industrie gaan vestigen. Elders behield de omgeving van Houten haar landelijk karakter.

De natuur en recreatie benoorden Houten
Ten noorden van het expanderende dorp moest het agrarisch grondgebruik ter weerszijden van de grens met de gemeente Bunnik echter wijken voor een bosrijk natuur- en recreatiegebied. Dat werd Nieuw Wulven gedoopt. Aldus wordt herinnerd aan de ligging van het groengebied in en bij het voormalig domein van het Middeleeuws landgoed Wulven. Daar verrees in de 13de-eeuw een gelijknamig kasteel, dat geruime tijd een van de belangrijkste van een groot gebied was. Na meermalen in andere handen te zijn gekomen werd het slot in 1870 gesloopt. Dat gebeurde in opdracht van de toenmalige adellijke eigenaar. Aan het kasteel herinneren nu nog het omgrachte rechthoekige perceel waar de burcht stond en een erbij gelegen L-vormige kasteelboerderij. Beide kwamen in de vorige eeuw vlakbij de autosnelweg te liggen.

In het nabijgelegen deel van het verstedelijkte Houten verwijst de naam van het Wulfse Pad naar het vroegere bestaan van het kasteel(domein) en de polder Wulven waar het was gelegen. Dat doen er trouwens ook de restanten van de kaarsrechte Wulfse Dijk Die moest de wat hoger gelegen gronden van Houten beschermen tegen inundaties.

Die restanten zijn nu paden van een woonwijk en park.

Het verdwenen kasteel Wulven moeten wij niet verwarren met het noordelijk van Houten nog aanwezige Oud Wulven. Dit bij de ernaar genoemde landweg gelegen bouwwerk bestaat uit een toren, waartegen in 1635 een klein huis werd gebouwd. Aan Oud Wulven herinneren ook nog de naam van een algemene begraafplaats, sportpark en langs de landweg lopende wetering.

De eerste grote uitbreidingen
De oudere Houtense buitenwijken liggen om de kern van het oude dorp. Oostelijk daarvan werd in 1868 een klein spoorwegstation geopend dat in 1935 weer zou worden gesloten. Het gepleisterde stationsgebouwtje bestaat echter nog. Wel moest het vanwege het enkele decennia geleden wegens een spoorwegverbreding 150 meter worden verplaatst. Na een grondige opknapbeurt werd de zolderverdieping van het stationnetje ter beschikking gesteld aan een afdeling van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland die er haar atelier en museum onderbracht.

Enkele decennia na de Tweede Wereldoorlog zou Houten sterk gaan groeien. Daarbij werd de bebouwde kom van het dorp eerst vooral in noordelijke richtingen uitgebreid.

De eerste naoorlogse uitbreidingen werden nog op een tamelijk traditionele wijze ontsloten. Vervolgens ontwierpen de plannenmakers echter zogenaamde woonerfbuurten. Die werden om een aantal zich vertakkende doodlopende hoofdontsluitingen gesitueerd.

De naoorlogse uitbreidingen leidden er toe dat Houten weer een spoorwegstation kreeg. Het verrees een kilometer meer in de richting van Utrecht dan zijn in 1935 gesloten voorganger. Rond het in 1982 geopende station werden de voornaamste voorzieningen van het naoorlogse Houten geconcentreerd. Oostelijk van het station is dat ook letterlijk het geval: De meeste bebouwing omgeeft er een halve maanvormig groot plein, dat Het Rond werd gedoopt. Behalve winkels en een aantal kantoren zijn er diverse horecagelegenheden gevestigd.

Aan de westkant geniet het station Houten gezelschap van het L-vormige plein Het Kant. De binnenhoek ervan wordt gemarkeerd door het gemeentehuis van Houten, waarvan de toren ons op gezette tijden verrast met enig klokkenspel.

De pleinen vormen samen een geheel doordat de spoorlijn ze met een viaduct ongelijkvloers kruist. De railverbinding hindert daardoor ook niet de smalle, grachtachtige waterloop die de natte as van beide pleinen vormt. De gracht is onderdeel van een vrijwel geheel gegraven, meer dan drie kilometer lange, water bergende en afvoerende bedding. Ze vormt de natte as van het door de Rondweg begrensde, vrij langgerekte complex dorpsuitbreidingen dat reeds in de vorige eeuw werd gerealiseerd.

Buiten de Rondweg is die natte as later nog een halve kilometer doorgetrokken om bij te gaan dragen aan de ontwatering van een ter weerszijden ervan aangelegd bedrijvenpark met een tweezijdige symmetrische structuur.

De waterloop wordt geassisteerd door een aantal zijtakken, waarvan enkele paren een hele woonbuurt omsluiten.

De recentere uitbreidingen
Tegen het einde van de vorige eeuw zou Houten zich vooral zuidoostwaarts gaan uitbreiden.

Dat rechtvaardigde na verloop van tijd de bouw van een tweede spoorwegstation. De dichtbebouwde naaste omgeving ervan werd zodanig ontworpen dat ze doet denken aan een Romeins castellum. Kenmerkend voor zo’n versterkte militaire nederzetting waren onder meer een rechthoekige omgrachting en een ontsluiting daarvan via een raster van vierkanten. Langs smalle straten verrezen er doorgaans langgerekte blokken met een zadel- of schilddak.

Om de imitatie van een Romeinse militaire nederzetting te accentueren werden ook Latijnse toponiemen als naamsaanduidingen gebruikt. Zo bijvoorbeeld portus, via, forum en castellum. Laatstgenoemd toponiem viel de eer te beurt dat ook het middenin de “Romeinse” buurt geopende Houtense treinstation met die naam werd onderscheiden.

Vanwege de bouw van de castellumachtige stationsbuurt zou kunnen worden gedacht dat er restanten van een Romeinse versterkte nederzettingwaren aangetroffen.

Dat was echter niet het geval. De Romeinen bouwden hun castella namelijk bij de Rijnarm die ten tijde van hun aanwezigheid een belangrijke waterloop was. Die rivierarm stroomde wat noordelijker.

In de wijken die om de castellumachtige buurt verrezen zou ook een vijfkante aarden omwalling van maximaal 35 meter breed worden gepland en opgeworpen. De kruin van de wal werd ontsloten met een wandelpad, verfraaid met een laanbeplanting en geschikt gemaakt voor gebruik als sportparcours.

Het vijfwal gedoopte aardwerk doet denken aan de verdedigingslinies die rond (de naaste omgeving van) sommige oude steden werden aangelegd. Markante voorbeelden daarvan zijn de vrijwel geheel behouden gebleven linies van Amsterdam en Antwerpen. In de omgeving van Breda vinden wij nog restanten van zo’n linie uit de tachtigjarige oorlog.

Bij de uitbreidingen veel erfgoed gespaard
Bij de uitbreiding van Houten werd later vaker gestreefd naar de instandhouding van sommige interessante oude landschappelijke situaties. Bewaard bleven daarbij onder andere het kasteelterrein van de burcht Schonauwen, archeologisch waardevolle gebied van de voormalige buurtschap Loerik, waterlopen, landwegen en de erlangs aanwezige bebouwing(slinten).

Het dubbel omgrachte terrein van Kasteel Schonauwen ligt in het uiterste zuiden van de bebouwde kom. De op het eiland van de binnenste omgrachting behouden gebleven woontoren van de burcht wordt grotendeels aan het oog onttrokken door hoog geboomte.

Dat stoffeert overigens slechts een klein deel van het terrein.

In het woongebied Tuinen van Houten Zuid kwamen de restanten van de oude buurtschap Loerik in een wandelparkje te liggen. Aldus kon de archeologisch waardevolle omgeving ervan worden gevrijwaard van vergravingen. Wel werd het enigszins golvende oppervlak van de rivierafzettingen er geaccentueerd door ophogingen. Enkele archeologisch interessante plekken van het wandelparkje zijn omgeven door een aantal robuuste palen, terwijl elders verspreid op het terrein geplaatste roodbruin gekleurde “rotsblokken” moeten suggereren dat er vroeger vee graasde.

Op de grotendeels met gras begroeide terreinen van het groengebied werden een aantal (noten)bomen geplant.

Enkele behouden landwegen divergeren vanuit de oude dorpskern naar andere nederzettingen. In het westen herinneren de Burgemeester Waller weg, Vikingenpoort en enkele fietspaden aan ontsluitingen van verdwenen cultuurland als de Schulpse Dijk en Koedijk. Nog herkenbare tracés van de noordelijke uitvalswegen zijn de Troubadoursborch en Lobbendijk. Dat wordt hier en daar verduidelijkt door de aanwezigheid van een oude boerderij.

Oostelijk van de dorpskern waren twee divergerende stratenreeksen de hoofdverbindingen met Odijk, Loerik en ’t Goy. De voormalige hoofdverbinding met Odijk is tegenwoordig de stratenreeks Vlierweg-Standerdmolen-Korenmolen-Odijkseweg. Successievelijk naar het Loerik en ‘t Goy liep een weg die nog niet zo lang geleden door de spoorlijn en een nieuwe hoofdweg werd doorsneden. Ook een groot deel van deze gefragmenteerde verbinding kreeg andere namen. Bij de oude dorpskern heet ze nog Loerikseweg, verderop achtereenvolgens echter Albers Pistoriusweg, Smalspoor, Beusichemertuin, Bloesemtuin en Rendiermos.

Westelijk van Loerik volgen de straten Molenland en Het Spoor het tracé van twee voormalige landwegen. In het zuidwesten van Houten verbond een landweg de oude dorpskern met de buurtschap Leebrug. Die verbinding sneed de strookvormige kavels van het akkerland in haar omgeving diagonaal. Bij de latere uitbreidingen van Houten zijn delen van deze landweg verdwenen of in moderne straten veranderd. Aan de landweg herinneren nog het tracé van de Julianastraat, Het Hout, Leebrugpad en Zonnehout.

Leebrug was ook door een landweg met de buurtschap Loerik verbonden. Op de meeste plaatsen volgen enkele fietspaden en straten nu vrijwel het tracé ervan. Het zijn onder andere een deel van de straat Leedijkerhout en het Loeriksepad. De voormalige verbinding geniet gezelschap van een smalle groenzone.

Van belang voor Leebrug was ook haar ligging bij de weg langs de Houtense Wetering. Die kilometerslange weg bleef tot op de dag van vandaag vrijwel als één geheel behouden. Ze scheidde het oude akkerland bij de dorpskern van wat lager gelegen grasland. Aan de kant van het grasland verrezen al eeuwen geleden boerderijen. Bovendien werd er het kasteelterrein van het voormalige landgoed Schonauwen gesitueerd. Aldus ontstond een lintdorp van het type dat karakteristiek werd voor het venig polderland. Dat dorp werd net als de er naast gelegen waterloop Houtense Wetering genoemd.

De afgelopen decennia kwam de weg in de bebouwde kom van Houten te liggen. Daardoor geniet ze nu ook gezelschap van een industrieterrein en een woonwijk. In de woonwijk kreeg de weg diverse andere namen. Van noordwest naar zuidoost werden dat successievelijk Beukenhout, Weteringhout, Parkhout, Schalkwijkspad en Granietsteen. Even voorbij het kasteelterrein van Schonauwen liep een weg zuidwaarts naar het lintdorp Schalkwijk. Evenals de weg Houten-Leebrug sneed ze de strookvormige kavels in haar omgeving diagonaal. In de vorige eeuw werd de weg door het graven van het Amsterdam-Rijnkanaal doorsneden. Als gevolg daarvan verloor hij zijn betekenis voor het interlokale verkeer. Bovendien werd het weggedeelte verwijderd dat in de bebouwde kom van Houten kwam te liggen. Hierdoor kon een stratenpatroon worden gerealiseerd waarvan de strekkingsrichting vrijwel geheel overeenkomt met die van de vroeger in deze omgeving algemene strookvormige kavels.

Iets westelijker werd die repenpercelering echter verloochend bij de uitbreiding van Houten. Vanuit een hoek van de Vijfwal werd daar namelijk een woongebied radiaal en concentrisch ontsloten en door grachten gecompartimenteerd. Hierdoor verdween er ook de Hoonwetering.

Bezuiden het Amsterdam-Rijnkanaal bleef de voormalige verbinding tussen de lintdorpen Houtense Wetering en Schalkwijk behouden. Daar snijdt ze ook nog strookvormige kavels.

In de zuidoostelijke buitenwijken van Houten waren diverse waterlopen natuurlijke stroompjes of gegraven sloten van het er verdwenen agrarisch cultuurlandschap. Sommige daarvan zijn echter wel verbreed. Voorbeelden daarvan zijn de grachtachtige waterlopen die de stationsbuurt Castellum omgeven.

De natuurlijke geostructuur deels verminkt
In het voorgaande wordt duidelijk dat bij de uitbreidingen van Houten vooral later vrij zorgvuldig werd omgegaan met het cultuurhistorisch waardevol landschappelijk erfgoed.

De natuurlijke geostructuur kwam er echter plaatselijk minder goed van af, waardoor helaas ook microreliëf zou worden aangetast. Een en ander was met name het geval bij de zandwinning uit de vrij oude rivierafzettingen. Die hield verband met de wenselijkheid enkele bouwlocaties van de omgeving een drogere en steviger grondslag te bieden.

In het kader van de ontgrondingen is overigens wel een aantal voormalige stroombeddingen weer in een watervoerende geul veranderd. Aan de zandwinning herinneren overigens de plassen waaromheen de zuidoostelijke buurten van Houten verrezen.

Behalve voor ophogingen van laag gelegen gronden in de omgeving vond grondverzet van betekenis plaats bij bebouwing van enigszins hellend terrein. Dat was echter veel minder ingrijpend. Wel had het tot gevolg dat de vroegere karakteristieken van het reliëf sterk aan herkenbaarheid inboetten.

Een netwerk van lommerrijke fietspaden
De buitenwijken van Houten werden zodanig uitgebreid dat delen ervan meer dan anderhalve kilometer verwijderd kwamen te liggen van de beide stations waar ze omheen werden gebouwd. Desondanks zou de bereikbaarheid van die delen (nog) niet worden bevorderd door een verleidelijk openbaar vervoer. Als compensatie daarvan is wel een netwerk fietspaden aangelegd. Bovendien werd de aantrekkelijkheid van dat netwerk verhoogd door het op de meeste plaatsen te flankeren met veel (opgaand) openbaar groen.

Met name voor vitale personen zou het bij goed weer dan ook verleidelijk worden gebruik te maken van die gaandeweg lommerrijk geworden verbindingen. Vooral scholieren blijken dat inmiddels in grote getale te doen.

Veel fietspaden volgen delen van voormalige landwegen. Daarbij staat ook de meeste behouden gebleven en als monument geklasseerde antieke bebouwing. De aanleg van de fietspaden droeg daardoor tevens bij aan de toeristisch-recreatieve betekenis van Houten.

Bij de fietsroutes worden we wegwijs gemaakt via informatiepanelen.

De karakteristieken van de straatnamen
De namen van de meeste te onderscheiden buurten komen in een bepaald opzicht overeen met die van er aanwezige straten. Ze zijn over het algemeen namelijk het meervoud van de achtervoegsels waarmee de straatnamen eindigen. Daaruit blijkt niet de ligging van een buurt in het grotere geheel van de bebouwde kom. Deze paragraaf geeft daarover echter enkele aanwijzingen.

De achtervoegsels worden voorafgegaan door daarbij min of meer passende onderscheidingen.

De buurtnamen van de industrieterreinen aan de westkant van Houten zijn Kaden, Vesten, Boten, Bruggen en Schepen.

Tussen het noordelijk deel van de Rondweg en de lange groenzone van de oudere wijken onderscheidden de stadsontwikkelaars van west naar oost (en noord naar zuid) de buurten Campen, Borchen, Gaarden, Hoeven, Hagen, Centrum, Weiden, Velden en Sloten.

Dezelfde richtingen bij de vermeldingen aanhoudend kunnen we tussen de lange groenzone en hoofdontsluiting De Koppeling successievelijk de buurten Slagen, Poorten, Oorden, Dorp, Hoven, Erven, Molens, Gilden en Akkers onderscheiden.

Van de jongere Vinex-lokatie dienen dan achtereenvolgens de buurtnamen Waters, Polders, Houten, Stenen, De Schaft, Bouwen, Castellum, Landen, Sporen, Grassen, Tuinen, Meren en Mossen genoemd te worden.

En nu op Geopad
180a-De Oud Wulven – Brinkroute
Deze route leidt eerst naar een vlak ten noorden van de bebouwde kom gelegen lommerrijke zone die tot het voormalige landgoed Oud Wulven behoorde. Daarvan terugkerend komt men langs de monumentale hoeve Nieuwoord en een in oorsprong natuurlijke waterloop. Na het passeren van een groenzone met een beekachtige wetering loopt de route langs enkele antieke boerderijen en landhuizen naar het deels om een plein gelegen oude dorpscentrum van Houten. Vervolgens trakteert de voormalige verbinding met de buurtschap Loerik op allerlei antieke bebouwing. Het laatste deel van de route passeert onder andere het voormalige station van Houten en een oude algemene begraafplaats.

Route 5,9 km. Voor de GPS RouteYou versie, klik hier.

Samenvatting
Houten is een even ten zuidoosten van de stad Utrecht gelegen recent sterk verstedelijkt dorp van het rivierengebied waarvan het inwonertal de afgelopen jaren tot ruim 40.000 steeg. Opmerkelijk is dat de naoorlogse woonmilieus werden gegroepeerd rond een tweetal nieuwe spoorwegstations. En tot vrij grote afstand ervan werden uitgebreid.

Verder valt op dat Houten in- en uitrijdend gemotoriseerd verkeer eerst naar een rondweg dirigeert. De afzonderlijke wijken werden zodanig voor het verkeer ontsloten dat auto’s en vrachtwagens vrijwel nergens rechtstreeks van de ene buitenwijk naar de andere kunnen rijden.

Fietsers zou echter meer bewegingsvrijheid worden geboden. Bovendien is er voor hen een fijnmazig net aantrekkelijke rijwielpaden aangelegd waarvan de gebruikers ook het meeste openbaar groen en allerlei beschermde monumentale bebouwing te zien krijgen.

Bedrijventerreinen werden vooral buitenlangs de rondweg gesitueerd. Dat gebeurde er voornamelijk in de buurt van de autosnelweg A 27, dus aan de westkant van de bebouwde kom.

Heel bijzonder is dat de dichtbebouwde naaste omgeving van het tweede station zodanig werd ontworpen dat ze doet denken aan een Romeins castellum. En in de wijken, die om de castellumachtige stationsbuurt verrezen, een vijfkantige aarden omwalling zou worden opgeworpen en als sportparcours ingericht. Het met een laanbeplanting aangeklede, Vijfwal gedoopte aardwerk lijkt er op te wijzen dat vroeger rond de naaste omgeving van sommige oude steden verdedigingslinies werden aangelegd.

De aandacht verdient verder vooral dat met name bij de recentere uitbreidingen zodanig met de cultuurhistorisch belangrijke landschapselementen en -structuren werd omgegaan dat ze grotendeels behouden of herkenbaar bleven. Respectvol benaderd werden dan natuurlijke waterlopen, sommige gegraven sloten, voormalige landwegen en erbij gelegen antieke bouwwerken.

De reliëfkenmerken en ondiepe ondergrond van de natuurlijke geostructuur kwamen er plaatselijk minder goed van af. Dat was het duidelijkst het geval bij de zandwinningen uit de rivierafzettingen die verband hielden met de wenselijkheid enkele nabijgelegen bouwlocaties een steviger grondslag te bieden.

Minder ingrijpend grondverzet vond plaats bij bebouwing van enigszins hellend terrein. Ook dan verminderde de herkenbaarheid van de natuurlijke reliëfkarakteristieken echter sterk.

Voor nog meer details over de geschiedenis van Houten attenderen wij ook op de website Oudhouten. De informatie daarvan is te vinden in diverse thematische rubrieken met bronverwijzingen. Een daarvan schenkt vooral aandacht aan de geostructuur.