Romeinse Limes

bijgewerkt 31-01-2019

De noordgrens van het Romeinse Rijk, de Limes, is de grootste lineaire archeologische structuur in Europa. De grens loopt van de monding van de Donau in Roemenië tot in Noord-Engeland. In Nederland volgt de Limes de oude loop van de Rijn, grofweg van Arnhem tot Katwijk aan Zee. Deze lijn maakt onderdeel uit van de Neder-Germaanse Limes, die doorliep in het huidige Duitsland en de Romeinse provincie Germania Inferior begrensde. In Utrecht vormen de Kromme en Oude Rijn de grenszone tussen Wijk bij Duurstede en Woerden. De grens is vanaf de 1ste eeuw in fases ontstaan en tot in de late 3de eeuw in gebruik geweest.

In rood de Romeinse Limes, in blauw het zuidelijk deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie

Karakteristiek
De Limes was weliswaar de uiterste noordgrens van het Romeinse Rijk, maar het was zeker geen IJzeren Gordijn avant la lettre, hermetisch en statisch. Voor de Romeinen, die hun rijk zagen als imperium sine fine (rijk zonder grenzen), was een grens slechts een tijdelijke momentopname van de reikwijdte van hun macht: daar waar de expansie stokte, bevroor de situatie van dat moment, maar er was volop ruimte om later weer in beweging te komen. De brede, meanderende Rijn vormde een natuurlijke grens. Vanuit deze positie probeerden de Romeinen hun rijk uit te breiden, maar zij werden er telkens op teruggeworpen. De Rijn was een belangrijk strategisch element in een tijd waarin bevaarbare rivieren de belangrijkste transportroutes waren: controle over de waterwegen was een vereiste om een oorlogsapparaat draaiende te kunnen houden. In die zin was de Rijn aanvankelijk niet zozeer een grensrivier die het Romeinse Rijk moest scheiden van het ‘barbaarse’ noorden, maar een oost-westgericht militaire transportader die behouden en beveiligd moest worden. Zo kende de eerste honderd jaar Romeinse aanwezigheid in ons land (vanaf het begin van onze jaartelling) perioden van expansiedrift richting Engeland en Duitsland, van diplomatieke oorlogvoering, van opstand van de ‘barbaren’, maar ook van relatieve rust. Aan het eind van de 1ste eeuw n.Chr. (tussen de jaren 85 en 90) is met het inrichten van de provincies Neder-Germanië en Boven-Germanië een einde gekomen aan de onduidelijke status van de Rijnzone en is er sprake van de lineaire structuur die wij nu de Limes noemen (toen niet?): een lijn van forten en wachttorens langs de linkeroever van de Rijn, verbonden door een militaire, verharde weg, de via militaris.

 

Militaire grensweg
De grensweg lag veelal verhoogd in het landschap, op een grondlichaam van soms wel één meter hoog. Daar waar bescherming nodig was tegen oeverwaldoorbraken en overstromingen, werd de Limesweg beschoeid of omkist. Afgaande op de reconstructie van het wegtracé tussen Vechten en Katwijk, hebben de Romeinse wegenbouwers een duidelijke voorkeur gehad voor de aanleg van rechte stukken, liefst op (middel)hoge oeverwallen, maar ook laaggelegen komgebieden gingen zij niet uit de weg. Op de plaatsen waar weg en rivier samenkwamen zijn her en der steigers en (los)kades aangetroffen uit de Romeinse tijd. Deze hadden ongetwijfeld een logistieke functie. Langs de weg bevond zich een militaire zone: bij de castella ontstonden kampdorpen (vici) en grafvelden; tussen de castella in stonden op regelmatige afstand wachttorens. Het behoud van de militaire infrastructuur was langs de hele linie een heuse strijd tegen het water. Het landschap was relatief nat, zeker de veengebieden ten westen van Utrecht, en in de loop van de Romeinse tijd vond bovendien geleidelijke vernatting van het landschap plaats door een stijgende grondwaterspiegel. De meanderende rivier verlegde niets ontziend haar loop door voortdurende erosie van buitenbochten. Dit noopte de Romeinse soldaten tot het aanleggen van waterbouwkundige werken en het aanpassen van hun standaardmethoden voor het bouwen van wegen, forten en dergelijke. En het vroeg om praktische, creatieve oplossingen. Zo werd getracht de erosie door het rivierwater tegen te gaan door oeverversterkingen aan te brengen met bijvoorbeeld ladingen basaltblokken of door oude schepen af te zinken die als krib moesten fungeren om de kracht van de stroming te temperen.

 

Bijzonder bodemarchief
De Romeinse geschiedenis spreekt tot de verbeelding, maar er is van de Limes boven de grond weinig terug te vinden. Sporen van de grensweg, castella, kampdorpen, wachttorens en grafvelden liggen verscholen in de bodem, evenals de resten van nederzettingen in het directe achterland. Op sommige plaatsen zullen de sporen veilig afgedekt zijn door een beschermende kleilaag, elders zullen zij juist kwetsbaar dicht aan het oppervlak liggen, zeker wanneer er in de moderne tijd sprake is geweest van egalisatie of afgraving. Sporen van de Limes binnen de actieve stroomgordels zijn voor een deel verdwenen omdat de rivier telkens zijn loop verlegde. Na de afdamming bij Wijk bij Duurstede in 1122 en bedijking van de rivier, kwam daar een einde aan. De resten van het castellum Levefanum, dat werd gebouwd op de strategische plek waar Rijn en Lek zich splitsten, zijn door de rivier meegevoerd. Het bijbehorende, noordelijker gelegen kampdorp bleef gespaard en groeide uit tot de vroegmiddeleeuwse handelsstad Dorestad, het latere Wijk bij Duurstede. Ondanks de op enkele plaatsen verstorende effecten van de rivier, heeft juist het water in hoge mate bepaald wat er van de Limes in Nederland resteert. Dankzij het afdekkende kleipakket en de hoge grondwaterstand is een rijk archief aan archeologische sporen behouden gebleven, met onder andere resten van schepen, kades, houten beschoeiingen en organisch materiaal, dat elders langs de Limes veelal verloren is gegaan.

Geschiedenis
Reeds voor de komst van de Romeinen fungeerde de Rijn als natuurlijke grens. Caesar memoreert in zijn De Bello Gallico, het werk dat hij als politieke propaganda schreef over de Gallische Oorlogen (58-51 v. Chr), dat de Belgae de dappersten waren van heel Gallië ‘omdat ze het verst van de Romeinse beschaving woonden, geen contact hadden met handelaars, die luxeartikelen importeerden waarvan men verzwakt zou raken, en omdat zij regelmatig oorlog voerden met de Germanen, een buitengewoon ruig volk aan de andere kant van de Rijn.’ Caesar veroverde Gallië tot aan de Rijn, maar naar zou blijken was deze verovering verre van solide en stabiel. Caesar poogde dit op te lossen door zijn beproefde verdeel-enheerstactiek: het sluiten van verdragen met bepaalde stammen, terwijl hij andere stammen juist op afstand hield en verbood om zich binnen het Romeinse Rijk te vestigen. Naar verluidt zijn zo de Bataven en Cananefaten als bondgenoten de grensregionen binnen getrokken. De noordelijkste regionen bleven echter licht ontvlambaar, met als gevolg dat Caesars opvolger Augustus (27 v. Chr.- 14 n. Chr.) zich genoodzaakt zag om ten strijde te trekken tegen de stammen aan de overzijde van de Rijn.

 

Zie ook het boek
THE LOWER GERMAN LIMES
DE NEDERGERMAANSE LIMES