Het Grebbeliniegebied


De Grebbelinie is een in noord-zuidrichting lopende verdedigingslinie in de Gelderse Vallei tussen de Nederrijn en het Eemmeer. Het is een waterlinie die in de tweede helft van de 18de eeuw is aangelegd ter verdediging tegen de vijand uit het oosten. Kort voor de hevige gevechten begin mei 1940 is de linie nog verbeterd met meer dan honderd betonnen kazematten, talrijke veldversterkingen en loopgraven. Na de opheffing als verdedigingslinie in 1951, zijn delen van de liniewal afgegraven en de aardwerken overwoekerd. De belangrijkste sluizen zijn nog aanwezig en gerestaureerd. Een enkel aardwerk is gereconstrueerd. Tegenwoordig manifesteert de Grebbelinie zich als een groen lint door het landschap. In de Grebbelinie worden de Eemdijk in het noorden en de rand van de Heuvelrug in het zuiden als natuurlijke barrières benut om de oostelijk gelegen gebieden bij oorlogsdreiging onder water te kunnen zetten. Tussen Amersfoort en Veenendaal is een 25 kilometer lange liniewal opgeworpen waarlangs tussen 1937 en 1940 het Valleikanaal is aangelegd. De Grebbesluis bij Rhenen zorgde voor de inlaat van het inundatiewater uit de Nederrijn. Daarnaast benutte men ook de Gelderse beken voor de inundaties. De schutsluis bij Spakenburg zorgde voor de inundatie van het noordelijke deel, mocht er onvoldoende water in de Nederrijn zijn. De Slaperdijk ter weerszijden van de Emmikhuizerberg diende als kering van het noordelijke en zuidelijke water. Om het water te kunnen vasthouden, zijn dwars op de linie aan de oostzijde keerkaden opgeworpen. Deze kaden verdelen het inundatiegebied in elf kommen. Een twintigtal damsluizen in de keerkaden regelden de inundaties van de kommen. Ter verdediging van de sluizen en de keerkaden zijn diverse aarden forten, voorposten en schansen aangelegd, vooral rond de Slaperdijk. Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht           

De uitdaging
Zuinig zijn met manschappen en middelen stond centraal bij de aanleg van de waterlinies. Zo veel mogelijke benutting van de terreingesteldheid en de aanwezige landinrichting vormde het uitgangspunt. De Grebbelinie is daar een goed voorbeeld van. Hier was Nederland, dat wil zeggen het economisch hart Holland, letterlijk op zijn smalst: vijftig kilometer tussen Zuiderzee en Nederrijn. Tussen deze natuurlijke barrières was de Gelderse Vallei als drassige laagte de aangewezen plek voor een waterlinie. Het grootste probleem was echter het wisselende waterpeil van de rivier. In het zuiden zorgde de Nederrijn altijd al voor overstromingen van de lage veengronden onder Veenendaal, waarbij de hogere rand van de Heuvelrug de natuurlijke westgrens van het water vormde. De Nederrijn was de voornaamste leverancier van water via een sluis in de Grebbe. Hier kwam het veenriviertje de Kromme Eem uit, dat 1473-1477 werd gekanaliseerd en vervolgens in 1485 werd verlengd als Bisschop Davidsgrift tot de Emmikhuizerberg. De daar in 1652 aangelegde Slaperdijk werd handig benut als keerkade en begrenzing voor de grote Veensekom, een inundatiegebied waarvoor de Fransen en later zelfs de Duitsers groot ontzag hadden. De enige ingreep die men voor deze kom moest doen was de bescherming van de Grebbesluis en het acces van de Grebbedijk met uitgebreide verdedigingswerken. Als gevolg van gestage daling van de veengronden kwam het kleigebied van de Nederrijn hoger te liggen (7 meter boven NAP), waardoor een acces ontstond. In het noorden was het lage kleigebied van de Eempolder van oudsher overstromingsgebied van de Zuiderzee. Voor deze zogeheten Bunschoterkom werd de laatmiddeleeuwse Eemdijk benut als waterkering. Het inundatiegebied reikte tot de dekzandgronden van Hoogland ten noorden van Amersfoort en in het oosten tot de Laak. Ook voor deze kom volstonden enkele verdedigingswerken: bij de spuisluis te Spakenburg en de Oostdijk als belangrijkste acces. Voor het centrale, tussenliggende deel van de Grebbelinie, het dekzandgebied tussen Amersfoort en Veenendaal, waren meer ingrepen noodzakelijk. Hier moest het oost-west lopende bekenstelsel, in het bijzonder de Lunterse Beek, voor inundatiewater zorgen. Een natuurlijke, doorlopende waterkering zoals een rivier (Eem) of een hoogte (Heuvelrug) was hier niet aanwezig. De doorlopende Woudenbergse Grift was geen optie, want deze was al in 1590 definitief afgedamd. Bovendien zouden de ontginningen en de grote buitens van Leusden en Woudenberg dan opgeofferd moeten worden. Gekozen werd voor de aanleg van een doorlopende liniewal. Deze ruim 25 kilometer lange aarden wal kwam zoveel mogelijk langs de bestaande waterlopen en wegen te liggen: langs de Zwarteweg achter de Modderbeek boven Leusden, langs de Moorster Beek, de Lunterse Beek en de Broeksloot tot de Slaperdijk. Alleen tussen de Moorsterbeek bij Leusden en de Lunterse Beek bij de Nattegatsloot volgde de linie een eigen, drie kilometer lang tracé. Ook aan den oostzijde van Amersfoort werd bij de uitbreiding van de linie een nieuw tracé voor de wal uitgezet. Ten oosten van de liniewal stond de grens van de onder water te zetten gebieden niet vast; deze was bij inundatie afhankelijk van de watertoevoer. Zonder extra maatregelen zou door het noordwaarts aflopende hoogteverschil van ruim zes meter het inundatiewater richting Amersfoort wegstromen. De aanleg van keerkades dwars op de liniewal moest voor het vasthouden van het water zorgen. Afhankelijk van de breedte van het te stellen inundatiegebied varieerden deze keerkaden in lengte van 100 meter (Glashutterkade) tot 2.500 meter (Groeperkade). De kades hadden een kruinbreedte van drie meter en waren één tot anderhalve meter hoog. Damsluizen, duikersluizen en stuwen regelden het peil in de kommen. Tussen de Slaperdijk als meest zuidelijke en de Vuydijk als meest noordelijke keerkade werd het niveauverschil overbrugd met negen kommen.
Bron: Tastbare Tijd, Roland Blijdenstijn-Provincie Utrecht

Share Button