Bethunepolder

bijgewerkt 26-05-2020
bron:  © RAAP/Overland

Uit een uitgeput landschap iets nieuws maken: dat nam de Maarssense burgemeester jhr. mr. Joan Huydecoper zich voor toen hij in 1858 een plan indiende over de veenplassen bij zijn dorp te laten droogmalen. Het was echter niet zo eenvoudig als gedacht. Hoe waren deze plassen daar gekomen, en wanneer slaagde zijn project pas echt?

Waar ...
toegevoegd door Geopark

Naar beneden malen
Net als grote delen van West-Nederland werd het moerassige veengebied van Tienhoven en Maarsseveen vanaf de twaalfde eeuw ontwaterd en geschikt gemaakt voor de landbouw. Daarvoor groef men ontwateringssloten het veen in, waarbij men op een aantal momenten tijdelijk stopte om een kade aan te leggen. Langs die vroegere kaden, op twee plekken in of bij de Bethunepolder, liggen voorgangers van de huidige dorpen Tienhoven en Oud Maarsseveen. In de veertiende of vijftiende eeuw startten de ontginners met de laatste klus, de laatste stap van de ontginning. Beide dorpen werden toen naar hun huidige plek verplaatst, de laatste ‘stop’ in het veen voordat men het laatste stukje ontwaterde. Het uitgedroogde veen zakte in elkaar en ‘vervloog’ ook nog eens aan de lucht. Daardoor moest men water blijven wegpompen, op een gegeven moment zelfs met een windmolen, om droge voeten te houden.

Figuur 1. Recent hoogtebeeld van de Bethunepolder.  De groene en blauwe Bethunepolder ligt door het weggegraven veen veel lager dan de aangrenzende ‘oude’ veenlandschappen.

Warm bij de haard

Door alle ontginningen was van oude bossen niet veel meer over. Tegelijk waren er steeds meer mensen in het toenmalige Nederland die brandstof nodig hadden voor hun kachels en fornuizen. Een nieuwe bron voor verwarming werd gevonden door het grootschalig afgraven en wegbaggeren van veen. Dat startte al in de late middeleeuwen, maar kwam in de nieuwe tijd pas écht goed op gang. Soms bleef het bij individueel uitgeveende percelen, waarbij daarlangs nog stukjes land bleven bestaan waarop de turf kon drogen. Zulke strookjes noemen we legakkers. Afhankelijk van de plek zorgde de wind er soms ook voor, dat die legakkers door golfwerking werden weggeslagen en aaneengesloten plassen werden gevormd. Zoiets gebeurde bij Tienhoven en Oud Maarsseveen: daar ontstonden grote plassen, op de plek van de huidige Bethunepolder.
Figuur 2. De systematische verkaveling van de polder springt direct in het oog.

Van niets iets maken
Behalve wat riet snijden kon men met de waterplassen niet zoveel. Het waren een soort natte woestijnen, die door voortdurende wind en golfslag op de oevers zich ook nog eens konden uitbreiden. We kunnen dit vergelijken met stuifzand op de hoge zandgronden, dat aangrenzend akkerland kon bedreigen. In 1858 kreeg de genoemde Maarssense burgemeester Huydecoper toestemming om het meer droog te malen. Hij richtte daarvoor een vereniging op. Verschillende partijen probeerden de droogmaking tot een succes te maken. De Brusselse markies De Béthune en zijn schoonzoon pakten het voortvarend aan. Onder hun regie kwam zelfs een waterschap tot stand dat zij naar zichzelf noemden. Na de dood van de oude De Béthune nam de Maarssense landbouwkundige Van Vloten het stokje over. Hij zag de polder als een kans om zijn stoomzuivelfabriek succesvol te krijgen.

Tegenwerkend water
Allemaal liepen zij echter tegen een groot probleem aan: het continue water dat ondergronds vanuit de Utrechtse Heuvelrug in de polder naar boven kwam: kwelwater. Vergelijkbaar met de natuurlijke veenmeren van het Naardermeer en Horstermeer was het ook bij de Bethunepolder een gevecht om het kwelwater afgevoerd te krijgen. Van Vloten gaf een vermogen uit aan afwatering, maar het bleek niet genoeg: het bleef een zeer nat gebied. Pas decennia later, toen het Gemeentelijk Waterleidingbedrijf van Amsterdam in 1930 het kwelwater voor de drinkwatervoorziening ging winnen, zakte de kweldruk zodanig dat normaal landbouwkundig gebruik mogelijk werd. De heel rationeel ingerichte polder kenmerkt zich door een heel hoge dichtheid aan sloten, getuige van een moeizame strijd om het water af te voeren. In het noordwesten heeft men enkele gebieden zelfs nooit tot landbouwgrond ontgonnen en voor houtteelt gebruikt. Daarentegen is in het oosten het slotenpatroon veel minder dicht en was daar in het verleden door de hogere ligging zelfs akkerbouw mogelijk.

Figuur 3. De landschappelijke overgang van de lage Bethunepolder naar het hoger gelegen land onder het lint van Tienhoven
(foto: RAAP).

Samenwerking
De polder heeft nog altijd een drieledige functie: waterwinning, landbouw en natuur. Vele partijen, waaronder het verantwoordelijke waterschap Amstel, Gooi en Vecht werken samen om deze functies zo goed mogelijk te combineren. Het verbod op bodemverontreiniging vanwege de status als waterwingebied heeft op de natuur positieve effecten. 

Opgesomd: wat herkennen we?

  • De orthogonaal gestructureerde droogmakerij met wegen-, verkavelings- en slotengrid binnen een verder taps toelopende veenverkaveling buiten de droogmakerij;
  • De ringdijk en ringsloot die de droogmakerij van de veenontginningen in de omgeving scheiden;
  • De resterende veenplassen buiten de droogmakerij, die het onderscheid tussen droogmakerij en veenontginningen duidelijk laten zien;
  • Het oude dorpslint van Tienhoven en (Oud)Maarseveen als meest recente bewoningsfase van de middeleeuwse agrarische veenontginning;
  • Het rijks monumentale gemaal van de droogmakerij aan de westzijde van de Bethunepolder;
  • De bosjes/natuurreservaten als relict van de moeizaam droog te houden polder;
  • Het dichte slotenpatroon als signaal voor de hoge kweldruk in het gebied;
  • De boerderijen en hun namen die de motivatie van de ontwikkelaars aangeven (Ora et Labora, Arbeid Adelt, Zelden Rust, Nieuw Begin).


Gemaal Bethunepolder, toegevoegd door Geopark