Lange en Korte Duinen

bijgewerkt 27-05-2020

Bekijk eerst eens dit introductiefilmpje, gemaakt door onze Geo-cineast Marcel Creemers.

Waar
De Lange en Korte Duinen liggen direct ten zuiden van Soest.

bron: © RAAP/Overland

De Lange en Korte Duinen
De Lange en Korte Duinen, ook bekend als de Soester Duinen, zijn een van de laatste gebieden in Nederland met nog levend stuifzand. Geologische processen en menselijke activiteit zijn hier al sinds de prehistorie in interactie. In het spectaculaire landschap liggen fraaie duinvormen en bijzondere natuurwaarden. Ze zijn het resultaat van een van de eerste Nederlandse milieurampen. Hoe kon dat zo gebeuren?

Figuur 1. Situatiekaart Lange en Korte Duinen met hoogtebeeld (bewerkt AHN3). Met 1: randduinen op de grens van vroegere landbouwgronden, 2: randduinen op de grens met vanaf de negentiende eeuw aangelegd bos, 3: reliëf met fortduinen en andere duinvormen, waaronder koepelduintjes, 4: grote uitblazingsvlakten.

Dekzand
Tijdens de laatste ijstijd (Weichselien) kwamen er gedurende vele eeuwen perioden voor die zó droog en koud waren dat er nauwelijks vegetatie voorkwam. In deze poolwoestijn kwamen geregeld zandstormen voor, waarbij de droge zandondergrond massaal ging verstuiven. Vrijwel heel Nederland werd toen bedekt door een laag verstoven zand, dat nu dekzand wordt genoemd. Het zand was afkomstig van vroegere rivierafzettingen, vooral van de toen drooggevallen Noordzee. Het werd door de overwegend westenwinden meegevoerd. In de luwte van de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug bereikte het dekzand een dikte van enkele meters. Ook na de ijstijd bleef dit dekzand gevoelig voor verstuiving: woestijnvorming in de gematigde streken. De mens speelde daarbij een belangrijke rol.
Figuur 2. Uitgestoven boom. Op de voorgrond is het duinzand uitgestoven tot een bodemlaag met een hoger gehalte aan organische stof en vocht, dat minder gemakkelijk verstuift en donkerder van kleur is. Foto Overland.

Menselijke invloed in de prehistorie
In de millennia na de ijstijd, in de periode die we mesolithicum noemen, leefde de mens als jager-verzamelaar in een bosrijk landschap. Het is mogelijk dat de mens toen al invloed had op het landschap en zelfs al verstuiving teweeg bracht. Uit onderzoek in een vergelijkbaar gebied bij Hilversum blijkt dat het bos daar meerdere keren is verdwenen, waarna het zand weer ging stuiven. Een verklaring is dat de toenmalige bewoners het bos in brand hadden gestoken. In de navolgende periode ontstond een pioniersvegetatie met veel hazelaars. Dat leverde veel hazelnoten op. In het gebied zijn de archeologische resten (vuursteenwerkplaatsen) gevonden van mensen uit deze periode. 

Veel later, in de periode van de eerste boeren (hier vanaf ongeveer 2800 voor Christus), nam de mens het bos in gebruik als weidegebied voor vee waardoor het bos plaats maakte voor heide en schrale graslanden. Ook in die tijd kan verstuiving zijn opgetreden.

Menselijke invloed vanaf de middeleeuwen
De meeste stuifduintjes stammen uit de middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw. Toen waren boeren uit Soest en de daarbij horende buurtschappen gerechtigd om in de bossen hout te kappen en vee te drijven. Hierdoor veranderde het bos weer in heide of schraalgrasland. In de late middeleeuwen kwam het systeem van plaggenbemesting in zwang en werd hier ook geplagd. Naarmate de bevolking toenam, nam ook de druk op de heide toe. Doordat er te intensief werd begraasd en geplagd kon de heide weer gaan verstuiven. De zandverstuivingen zijn te zien als een van de eerste milieurampen in Nederland, want dit proces was op veel meer Nederlandse zandgronden gaande. In Soest ging een groot deel van het weidegebied verloren. Bovendien bedreigde het uitbreidende stuifzand de akkers.

Levend stuifzand met allerlei duinvormen
Van het enorme areaal stuifzand dat in Nederland ooit bestond, is het overgrote deel vastgelegd. Slechts in enkele gebieden, waaronder de Lange en de Korte Duinen, is nog sprake van ‘levend’ stuifzand. Dat betekent dat duinen nog kunnen ontstaan, opstuiven of verplaatsen en dat laagtes nog verder kunnen uitstuiven of zich uitbreiden. De actieve verstuiving is ook te zien aan de bomen, die ingestoven kunnen zijn, of juist uitgestoven, met blootliggende wortels.

Figuur 3. Instuivend zand in een randduin in het noordoosten van het gebied. Foto Overland.

In het gebied van de Lange en Korte Duinen zijn, behalve dit bewegende zand, allerlei duinvormen en uitgestoven laagten te zien. De vorm van de duinen en uitblazinglaagten hangt samen met de wind, de diepte van de grondwaterstand en van de vegetatie.

Stuifzandforten
De stuifzandforten ontstonden min of meer natuurlijk op de laagste delen van het terrein. De bodem was hier vochtig en de vegetatie met heide en mogelijk ook enkele bomen, was beter bestand tegen begrazing en plaggen. De vegetatie stond hier nog toen de omliggende droge gronden gingen stuiven en ze ving het stuivende zand op. Zo ontstond een duin, vaak met enkele bomen erin die nog toegang hadden tot het grondwater. Er ontstond zo omkering van het reliëf, de oorspronkelijk laagste delen veranderden in een duin, nu fort genoemd, de hogere delen in een uitgeblazen laagte.

Rand- of barrièreduinen langs de oude akkers
De zogenaamde randduinen of barrièreduinen ontstonden in eerste instantie doordat de stuifzanden een gevaar gingen vormen voor de akkers van de boeren. Met name de akkers van de buurschap De Birkt, die direct tegen het stuifzand lagen, liepen gevaar om te overstuiven. De boeren probeerden dit te voorkomen met een houtwal met eiken op de rand van hun akkers. De eiken vingen het stuifzand in, en ter plekke van de vroegere wal ontstond een randduin. De eiken groeiden mee met het randduin, zodat deze nu zo’n 10 meter boven de aangrenzende akkers is uitgegroeid. De eiken werden geëxploiteerd als hakhout dat regelmatig werd gezaagd. Daardoor ontstonden boomvormen met grillige stammetjes die op de toppen van de randwal nog zijn te zien.

Figuur 4. Grillige eiken op de hoge randwal tussen de korte duinen en de oude landbouwgronden. De eiken zijn meegegroeid met het duin en werden tot begin twintigste eeuw regelmatig gehakt. De grillige stammen komen voort uit dit hakhout. Foto Overland 123.

Rand- of barrièreduinen langs bosranden

Ook midden in het stuifzand ontstonden randduinen. Ze ontstonden toen vanaf het midden van de negentiende eeuw bos werd aangelegd. Doel was het beteugelen van het stuifzand en daarnaast hoopte men de zanden en heidevelden weer productief te maken door hout te produceren. Ook in de nieuwe bosranden ontstonden randwallen. De nieuwe bossen bestonden meestal uit naaldhout, maar in het gebied liggen ook enkele randwalachtige duinen met eiken.

Figuur 46. Oud beukenhakhout op de randwal tussen de korte duinen en de oude landbouwgronden. De steile buitenrand van het barrièreduin is hier goed te zien. Foto Overland.

Koepelduintjes
Een bijzondere duinvorm zijn de zogenaamde koepelduintjes. Deze ronde duintjes zijn door de wind gevormd rondom plekken waar plukken dichte vegetatie in het stuifzand groeide. Deze vingen het stuifzand op terwijl rondom zand werd weggeblazen.

Figuur 5. Niet verstoven bodems vormen een klif op de overgang naar uitgestoven gronden. Foto Overland.

Uitblazingsvlakten en niet verstoven gronden
In het gebied liggen ook enkele vlakke terreinen, die deels zijn ontstaan als uitblazingsvlakte en deels ook uit niet-verstoven bodems kunnen bestaan. De uitblazing kan zijn doorgegaan tot op het grondwaterniveau. Soms is er veen gevormd in de laagten. Plaatselijk is het zand uitgeblazen tot op een dichtere bodemlaag. Op de overgang van niet verstoven bodems naar uitblazingsvlakten kan een steilrand voorkomen. De overgang kan ook zichtbaar zijn door het verschil in vochtgehalte van de bovengrond.

Natuur
In de duinen zijn allerlei stadia van herbegroeiing van het zand te zien. ‘Levende’ stuifzanden zijn extreem voedselarm en droog. In de zon kan de temperatuur oplopen tot 60º C. Alleen buntgras en zandzegge kunnen hier gedijen. Zandzegge vormt lange, ondergrondse uitlopers die het bewegend zand letterlijk vastnaaien. Daarna vestigen zich korstmossoorten, waaronder enkele zeer zeldzame als gebogen rendiermos, open heidestaartje, hamerblaadje en ezelspootje. Daarna volgt een stadium grassen dat uiteindelijk overgaat in bos met eiken en vliegdennen. De eikenstrubben (en plaatselijk ook beukenstoven) worden beschouwd als van hoge historisch-ecologische waarde, waar een bijzondere ondergroei bij hoort met onder andere sporkehout, wilde lijsterbes en wilde kamperfoelie. Op de stammen groeien bijzondere korstmossen.

Het gebied is eigendom van de gemeente Soest. Om het stuifzand te laten voortbestaan is actief beheer nodig, dat lijkt op het vroegere beheer van de boeren. De heide wordt begraasd en in het stuifzand moet soms vegetatie worden weggehaald en de bodem moet worden geplagd. Dit gebeurt in het kader van het provinciaal programma ‘Laat maar Waaien’.

Opgesomd: wat herkennen we?

  • Grote stuifzandvlakte met (op winderige dagen) bewegend zand
  • Diverse duinvormen, zie boven.
  • Uitgestoven of juist ingestoven bomen
  • Oude hakhoutvormen van eiken (soms andere bomen) in de barrièreduinen
  • Grillige vliegdennen voortgekomen uit door de wind verspreide zaden
  • Beboste stuifzandduinen.

 

toegevoegd door Geopark

 

Aardkundig Monument
De Lange en Korte Duinen zijn, vanwege het bijzondere aardkundige karakter door de provincie Utrecht in 1997 benoemd tot aardkundig monument. Bij deze gelegenheid heeft de provincie aan de gemeente Soest, de eigenaar van het gebied, een informatiepaneel en een folder over de Lange en Korte Duinen aangeboden.