Oostbroek en Niënhof

bijgewerkt 27-05-2020

Bekijk eerst eens dit introductiefilmpje, gemaakt door onze Geo-cineast Marcel Creemers.

Waar

Tussen Utrecht en Zeist, ten noorden van Bunnik liggen de landgoederen Oostbroek en Niënhof.

 

bron: © RAAP/Overland
Oostbroek / Niënhof

Als ergens aardkundige, natuur- en cultuurhistorische waarden bij elkaar komen, dan is het wel in het gebied rond de buitenplaatsen Oostbroek en Niënhof. Beide buitenplaatsen liggen aan nog herkenbare, maar verlande meanders van de Kromme Rijn. In het kader van natuurontwikkeling zijn die uitgegraven, zodat de natuurwaarden verrijkt worden en aardkundige processen weer hun gang kunnen gaan. Wat is de historische achtergrond van dit samenkomen van waarden?

Figuur 1. Op dit hoogtebeeld herkennen we in het midden een wijde bocht, een halve cirkel naar rechts. Dat is de Romeinse Kromme-Rijnloop. Aan de noordwestpunt daarvan ligt Oostbroek, meteen onder het rode talud van de A28. Aan de zuidelijke punt, tegen de huidige Rijnloop (lichtblauw), ligt Niënhof.

‘Panta Rhei’
‘Alles stroomt en niets blijft’. De Griekse filosoof Heraclitus zei het vermoedelijk al. Rivieren bewogen zich over de eeuwen door het landschap. De huidige Kromme Rijnloop kent een voorganger. Die liep in de laat-Romeinse tijd, rond 300 na Christus, met een wijde boog langs het huidige Oostbroek. Pas veel later ontstond de loop zoals we die nu kennen. Toch is de oude loop niet helemaal verdwenen. De oude beddingen tekenen zich nog als lagere groeven op hoogtekaarten af (de blauwe banen op figuur 1).

Grootschalige ontginningen
Net als op andere plekken langs de Kromme Rijn betekende de afdamming in 1122 bij Wijk bij Duurstede een nieuwe fase in de geschiedenis.

Figuur 2. De vele bochten in het historisch landschap wijzen op oude riviermeanders. In het midden en onderaan de beboste buitenplaatsen van Oostbroek en Niënhof.

De wateroverlast verminderde en de uitgestrekte moerasgebieden achter de smalle hoge oevers konden worden ontwaterd en in gebruik genomen. Rond 1121 woonden er al twee broers, de ridders Herman en Dirk, op de plek van het huidige Oostbroek. Zij stichtten er een kerk, en daaruit kwam een klooster voort. Vanuit dat klooster werden grote gebieden in cultuur gebracht. Omdat het ontginningspatroon met sloten over grote gebieden hetzelfde is, wordt wel vermoed dat de bisschop van Utrecht er een coördinerende rol in had. Vanuit de Hoofddijk werden sloten gegraven om de venen te ontwateren. Naarmate de invloed van Oostbroek groeide, was een ‘tweede filiaal’, een plek van waaruit de bezittingen konden worden beheerd, van belang. Daarvoor werd verder naar het zuiden een uithof, de Niënhof (‘nieuwe hof’), gesticht.

In zwaar weer
De zestiende eeuw was een bijzonder moeilijke eeuw voor Oostbroek. In 1543 werd de abdij aangevallen en zwaar beschadigd en enkele decennia later woonden er nog maar een paar monniken. De Utrechtse overheid liet de abdij ontruimen en sluiten. De gebouwen werden afgebroken, zodat van daaruit de stad niet aangevallen kon worden. Een lange tijd lag Oostbroek er verwilderd en verwoest bij. Pas een eeuw na de ontruiming werd het terrein door de Staten van Utrecht verkocht.

Uit haar as herrezen
In de late zeventiende eeuw trokken rijke stedelingen steeds vaker naar het platteland om de vervuilde steden te ontvluchten. Met het opgebouwde kapitaal werden fraaie buitenplaatsen gesticht. Vaak werd er een landhuis bij een bestaande boerderij gebouwd. Over een periode van enkele decennia kwamen zowel op Oostbroek als op Niënhof landhuizen tot stand. De omgeving werd ingericht met geometrische tuinen rond het huis en indrukwekkende lanen als verbinding naar het omliggende landschap.

Met de laatste mode mee
Niets zo modegevoelig als de elite uit het verleden! Aan de landhuizen werd vaak gebouwd en verbouwd. Zo kende Niënhof een tweede hoofdgebouw dat in 1892 gebouwd en in 1929 weer gesloopt werd. Nog veel meer in het oog springend was de omvorming van tuinen en parken. In de negentiende eeuw deed de landschapsstijl breed zijn intrede. Het verrassingseffect en de semi-natuurlijkheid speelden daarin een grote rol. De rechte lijnen van de geometrische stijl werden vervangen door zwierige, en uitzichten werden op veel plekken vervangen door ‘toevallige doorkijkjes’. Toch bleef de hoofdstructuur van lanen en zichtassen op Oostbroek wel bewaard.
Figuur 3. De gevlekte ringslang, zoals die voorkomt op Oostbroek (foto: Wikimedia Commons).

Bijzondere waarden
Zoals al in het begin aangehaald komen op Oostbroek en Niënhof veel waarden bij elkaar. In de uitgegraven meanders kan de natuur, zowel aardkundig als ecologisch, haar gang weer gaan. Beide terreinen zijn eigendom van Het Utrechts Landschap, en de focus ligt er op natuurontwikkeling én behoud van cultuurhistorische waarden. Natuurontwikkeling in de oude Rijnarmen gaat er bovendien hand-in-hand met aardkundige waarden. De Rijnarmen zijn dan ook niet voor niets als aardkundig monument aangewezen.

Opgesomd: wat herkennen we?

  • Het reliëf van fossiele stroomruggen tussen Oostbroek en Niënhof;
  • De uitgegraven oude Kromme Rijn-armen bij Oostbroek en Niënhof met actieve aardkundige processen en grote ecologische kwaliteiten;
  • De buitenplaatsen Oostbroek en Niënhof met een gave landschappelijke structuur, tuinhistorische kwaliteiten en waardevolle bouwkunst uit de achttiende tot twintigste eeuw;
  • (Historisch-)ecologische kwaliteiten van de aanwezige bosopstanden;
  • Een naar meerdere zijden nog herkenbaar oeverwal- en komontginningslandschap (met verbindingen naar de Kromme Rijnoevers, Fort Vechten en de stuwwal bij De Bilt), waardoor de plaats van beide buitenplaatsen in de landschapsstructuur nog herkenbaar is.

 

Oostbroek
bron: Wikipedia
In het eerste kwart van de 12e eeuw werd even oostelijk van de plaats Utrecht het Sint-Laurensklooster gesticht op woeste grond door ridders die zich hadden bekeerd. In de beginperiode werd het een benedictijnenabdij en kreeg daarbij aanzienlijke schenkingen van keizerin Mathilde en de Utrechtse bisschop Godebald. Laatstgenoemde trad in en werd in 1127 in de abdijkerk van Oostbroek begraven. Ook werd het klooster al zeer vroeg een dubbelklooster met zowel monniken als nonnen. Deze situatie was reeds in 1139 veranderd omdat toen een apart Vrouwenklooster bestond op een nabijgelegen stuk onontgonnen abdijgrond (De Nieuwehof/Niënhof). De abdij viel in de parochie van de Utrechtse Nicolaaskerk.

De Sint-Laurensabdij had in de middeleeuwen een belangrijke positie in de grootschalige ontginning van de moeras- en veengebieden ten oosten van de stad Utrecht. Een cruciale ingreep die destijds deze ontginning mogelijk maakte, vond in 1122 plaats door Godebald met de afdamming van de rivier de Rijn bij het stroomopwaarts gelegen Wijk bij Duurstede.

In de ontginningen werd met copes gewerkt. De abdij had door schenkingen en aankopen grote grondgebieden in bezit gekregen waarop vanaf de ontginningen vervolgens onder meer turfwinning, akker- en andere landbouw kon worden bedreven en uithoven ontstonden. De abt had de beschikking over tijns- en tiendrechten
 en de lagere wetgeving.

Het Vrouwenklooster stond vanaf het begin lange tijd onder gezag van de Sint-Laurensabdij, maar was in 1370 definitief verzelfstandigd. Het klooster behoort tot de handvol kloosters in Utrecht en omgeving voor adellijke dames. In 1241 was bepaald dat aan het Vrouwenklooster niet meer dan 30 nonnen verbonden mochten zijn. Tot de bekende abdissen van het klooster behoort Henrica van Erp. Tussen 1503 en 1548 had zij deze functie en dankzij haar kroniek is meer bekend over het kloosterleven.

Even na het midden van de 16e eeuw bevond de Sint-Laurensabdij zich in grote financiële problemen waarbij het aantal kloosterlingen afnam. Omstreeks 1580 werden vervolgens het Sint-Laurensabdij en het Vrouwenklooster afgebroken. Met de Reformatie vervielen de goederen van de Sint-Laurensabdij in 1586 aan de Staten van Utrecht, de goederen van het Vrouwenklooster aan de ridderschap. Kort daarna is het huis Oostbroek op het abdijterrein ontstaan.

Het eind 16e eeuw gebouwde huis Oostbroek met omringende gronden is in de loop der tijd vele malen van eigenaar gewisseld waarbij de eerste buitenplaats Oostbroek op het terrein ontstond in 1676. Goederen van de voormalige abdij zijn gaandeweg verkocht, onder meer de landgoederen Vollenhoven, Sandwijck, Houdringe en Beerschoten met buitenplaatsen zijn daardoor ontstaan. Landgoed Oostbroek was van de 18e tot 20e eeuw in het bezit van de familie Van Ewijck.

In 1887 is uiteindelijk het huidige landhuis Oostbroek gebouwd op het voormalige abdijterrein. Het parkontwerp is van I.H.J. van Lunteren, die oudere elementen daarin opnam. Vandaag de dag zijn onder meer het eind-19e-eeuwse hoofdgebouw en het park op het landgoed een rijksmonument. Het Utrechts Landschap heeft het bijna 90 hectare grote landgoed Oostbroek in eigendom.

Niënhof
bron: Wikipedia
Landgoed Niënhof, ook wel Nieuwenhof, is een natuurgebied aan de Grotelaan 12-16 in Bunnik, grenzend aan de Kromme Rijn. Landgoed Niënhof bestaat voornamelijk uit parkbos en agrarische grond. Het natuurgebied wordt beheerd door het Utrechts Landschap. In de middeleeuwen was het landgoed in het bezit van klooster Oostbroek. Van daaruit werd de nieuwe uithof Niënhof in gebruik genomen, een nien hof, in het Utrechtse dialect. Van 1685 tot 1923 waren huis en landgoed in bezit van het geslacht De Pesters.

Eind 19de eeuw werd het 18de-eeuwse landhuis op de Niënhof vervangen door nieuwbouw naar een ontwerp van Albert Nijland. Dit huis zou echter in 1929 alweer worden gesloopt. Het oude achttiende-eeuwse landhuis werd verbouwd tot koetsierswoning. Dit gebouw zou tegen het eind van de 20ste eeuw worden gerestaureerd en uitgebreid tot hoofdgebouw. Boerderij De Niënhof werd vele maken verbouwd. Het naastgelegen voormalige bakhuis en de voormalige paardenstal annex wagenberging zijn tot woningen verbouwd.

 

Aardkundig Monument
In 1995 werd in de Kromme Rijn een riviereilandenreservaat aangelegd met vijf riviereilanden. De eilanden raakten begroeid met wilgen en elzen. Dieren als libellen, vlinders, kikkers, muizen, vogels en vissen profiteren van deze weelderige vegetatie die zich op de glooiende oevers ontwikkelde.

Natuurlijke rivierprocessen als sedimentatie en erosie kunnen sinds 1996 hun gang gaan in een uitgegraven geul.
Niënhof is door de provincie Utrecht aangewezen als aardkundig monument. De oevers van deze oude meander bieden plaats aan allerlei oeverplanten, waaronder gele lis, koninginnenkruid en dotterbloem.

De aardkundige waarde van deze oeverwallen en oude rivierbeddingen is hoog omdat ze nog goed herkenbaar zijn in het landschap. Het geeft een goed beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied. Juist de combinatie van oude en uitgegraven beddingen heeft geleid tot de aanwijzing tot aardkundig monument.