Oostbroek en Niënhof

bijgewerkt 19-06-2019

Waar

Tussen Utrecht en Zeist, ten noorden van Bunnik liggen de landgoederen Oostbroek en Niënhof.

Het gebied
De landgoederen Oostbroek en Niënhof zijn twee natuurgebieden van Het Utrechts Landschap. Deze landgoederen zijn niet alleen uit cultuurhistorisch, maar ook uit aardkundig oogpunt erg interessant.

De landgoederen Niënhof en Oostbroek liggen in een gebied waar voorlopers van de Kromme Rijn gestroomd hebben. In het landschap is dat nog goed te zien. Zij worden gekenmerkt door een gevarieerd landschap van loofbossen, een boomgaard, moerassen, een kloostertuin en grazige weiden.

De oude rivierbeddingen zijn drassig of watervoerend.

Op beide landgoederen is een deel van een oude rivierbedding uitgegraven. Hierdoor wordt een indruk verkregen hoe de rivier er vroeger uitgezien zal hebben. Tegelijkertijd is op beide landgoederen nog goed te zien hoe de oude bedding eruit zag voordat deze uitgegraven werd. Juist de combinatie van oude en uitgraven beddingen heeft geleid tot de aanwijzing tot aardkundig monument.

Rond het begin van de jaartelling was de Kromme Rijn de belangrijkste tak van de Rijn. In tegenstelling tot nu was de rivier niet bedijkt, waardoor deze zelf zijn loop in het landschap kon bepalen. Net als andere Nederlandse rivieren kenmerkte de Kromme Rijn zich door een sterk kronkelende (meanderende) loop. In natte periodes kon de rivier buiten de oevers treden.

Dichtbij de rivier, waar de stroomsnelheid nog vrij hoog is, is voornamelijk zandig materiaal afgezet. Hier zijn de oeverwallen ontstaan, die als een verhoging in het terrein zichtbaar zijn. Wat verder van de rivier konden, in de nu laaggelegen kommen, de fijnere kleideeltjes bezinken. Omdat dijken ontbraken, kon de rivierbedding zich verleggen. Daarom kon de voorloper van de Kromme Rijn zich verplaatsen naar het gebied waar later de landgoederen Oostbroek en De Niënhof gesticht werden.

Ongeveer 1400 jaar later verlegde de Kromme Rijn zich naar de huidige ligging. De oude bedding werd toen langzaam opgevuld met kleiig en venig materiaal.

 

Oostbroek
In het eerste kwart van de 12e eeuw werd even oostelijk van de plaats Utrecht het Sint-Laurensklooster gesticht op woeste grond door ridders die zich hadden bekeerd. In de beginperiode werd het een benedictijnenabdij en kreeg daarbij aanzienlijke schenkingen van keizerin Mathilde en de Utrechtse bisschop Godebald. Laatstgenoemde trad in en werd in 1127 in de abdijkerk van Oostbroek begraven. Ook werd het klooster al zeer vroeg een dubbelklooster met zowel monniken als nonnen. Deze situatie was reeds in 1139 veranderd omdat toen een apart Vrouwenklooster bestond op een nabijgelegen stuk onontgonnen abdijgrond (De Nieuwehof/Niënhof). De abdij viel in de parochie van de Utrechtse Nicolaaskerk.

De Sint-Laurensabdij had in de middeleeuwen een belangrijke positie in de grootschalige ontginning van de moeras- en veengebieden ten oosten van de stad Utrecht. Een cruciale ingreep die destijds deze ontginning mogelijk maakte, vond in 1122 plaats door Godebald met de afdamming van de rivier de Rijn bij het stroomopwaarts gelegen Wijk bij Duurstede.

In de ontginningen werd met copes gewerkt. De abdij had door schenkingen en aankopen grote grondgebieden in bezit gekregen waarop vanaf de ontginningen vervolgens onder meer turfwinning, akker- en andere landbouw kon worden bedreven en uithoven ontstonden. De abt had de beschikking over tijns- en tiendrechten
 en de lagere wetgeving.

Het Vrouwenklooster stond vanaf het begin lange tijd onder gezag van de Sint-Laurensabdij, maar was in 1370 definitief verzelfstandigd. Het klooster behoort tot de handvol kloosters in Utrecht en omgeving voor adellijke dames. In 1241 was bepaald dat aan het Vrouwenklooster niet meer dan 30 nonnen verbonden mochten zijn. Tot de bekende abdissen van het klooster behoort Henrica van Erp. Tussen 1503 en 1548 had zij deze functie en dankzij haar kroniek is meer bekend over het kloosterleven.

Even na het midden van de 16e eeuw bevond de Sint-Laurensabdij zich in grote financiële problemen waarbij het aantal kloosterlingen afnam. Omstreeks 1580 werden vervolgens het Sint-Laurensabdij en het Vrouwenklooster afgebroken. Met de Reformatie vervielen de goederen van de Sint-Laurensabdij in 1586 aan de Staten van Utrecht, de goederen van het Vrouwenklooster aan de ridderschap. Kort daarna is het huis Oostbroek op het abdijterrein ontstaan.

Het eind 16e eeuw gebouwde huis Oostbroek met omringende gronden is in de loop der tijd vele malen van eigenaar gewisseld waarbij de eerste buitenplaats Oostbroek op het terrein ontstond in 1676. Goederen van de voormalige abdij zijn gaandeweg verkocht, onder meer de landgoederen Vollenhoven, Sandwijck, Houdringe en Beerschoten met buitenplaatsen zijn daardoor ontstaan. Landgoed Oostbroek was van de 18e tot 20e eeuw in het bezit van de familie Van Ewijck.

In 1887 is uiteindelijk het huidige landhuis Oostbroek gebouwd op het voormalige abdijterrein. Het parkontwerp is van I.H.J. van Lunteren, die oudere elementen daarin opnam. Vandaag de dag zijn onder meer het eind-19e-eeuwse hoofdgebouw en het park op het landgoed een rijksmonument. Het Utrechts Landschap heeft het bijna 90 hectare grote landgoed Oostbroek in eigendom.

 

Niënhof
Landgoed Niënhof, ook wel Nieuwenhof, is een natuurgebied aan de Grotelaan 12-16 in Bunnik, grenzend aan de Kromme Rijn. Landgoed Niënhof bestaat voornamelijk uit parkbos en agrarische grond. Het natuurgebied wordt beheerd door het Utrechts Landschap. In de middeleeuwen was het landgoed in het bezit van klooster Oostbroek. Van daaruit werd de nieuwe uithof Niënhof in gebruik genomen, een nien hof, in het Utrechtse dialect. Van 1685 tot 1923 waren huis en landgoed in bezit van het geslacht De Pesters.

Eind 19de eeuw werd het 18de-eeuwse landhuis op de Niënhof vervangen door nieuwbouw naar een ontwerp van Albert Nijland. Dit huis zou echter in 1929 alweer worden gesloopt. Het oude achttiende-eeuwse landhuis werd verbouwd tot koetsierswoning. Dit gebouw zou tegen het eind van de 20ste eeuw worden gerestaureerd en uitgebreid tot hoofdgebouw. Boerderij De Niënhof werd vele maken verbouwd. Het naastgelegen voormalige bakhuis en de voormalige paardenstal annex wagenberging zijn tot woningen verbouwd.

 

Aardkundig Monument
In 1995 werd in de Kromme Rijn een riviereilandenreservaat aangelegd met vijf riviereilanden. De eilanden raakten begroeid met wilgen en elzen. Dieren als libellen, vlinders, kikkers, muizen, vogels en vissen profiteren van deze weelderige vegetatie die zich op de glooiende oevers ontwikkelde.

Natuurlijke rivierprocessen als sedimentatie en erosie kunnen sinds 1996 hun gang gaan in een uitgegraven geul.
Niënhof is door de provincie Utrecht aangewezen als aardkundig monument. De oevers van deze oude meander bieden plaats aan allerlei oeverplanten, waaronder gele lis, koninginnenkruid en dotterbloem.

De aardkundige waarde van deze oeverwallen en oude rivierbeddingen is hoog omdat ze nog goed herkenbaar zijn in het landschap. Het geeft een goed beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied. Juist de combinatie van oude en uitgegraven beddingen heeft geleid tot de aanwijzing tot aardkundig monument.

 

 

Aanvullende (semi)wetenschappelijke publicaties