Plantage Willem III

bijgewerkt 27-05-2020

Bekijk eerst eens dit introductiefilmpje, gemaakt door onze Geo-cineast Marcel Creemers.

Waar
Plantage Willem III is een voormalige tabaksplantage gelegen bij Elst, op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug.

bron: © RAAP/Overland
Plantage Willem III

Plantage Willem III ligt op de glooiende zuidflank van de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug. Gallowayrunderen en schapen grazen er nu op een uitgestrekt schraal-graslandgebied dat langzaam afhelt naar de Rijn in het zuiden. Boomgroepen, bosjes en lanen herinneren aan de grote tabaksplantage die hier omstreeks 1855 werd aangelegd. De ontstaanswijze van deze glooiende helling ligt in een nog veel verder verleden. In de voorlaatste ijstijd spoelden hier grote massa’s smeltwater over de stuwwal. Wat gebeurde er toen, en wat zie je ervan terug in het landschap?
Figuur 1. Situatiekaart van Plantage Willem III met hoogtebeeld. 1: stippellijn is omgrenzing van bezittingen van de Kerk van Rhenen, later bosstrook die mede diende als windsingel voor de plantage, 2: Plantage Willem III, 3: niet ontgonnen heide, werd bos, later weer omgevormd naar heide, 4: goed zichtbaar sneeuwsmeltwaterdal, 5: faunapassage, 6 Buitenwaarden, uiterwaarden van de Rijn. De rode driehoekjes zijn aanduidingen van grafheuvels en de blauwe voor andere begravingssporen.

Het ontstaan van de stuwwal
Het hoogste deel van de plantage en de bossen daarachter liggen op de stuwwal, die is gevormd in de voorlaatste ijstijd (het Saalien). In de Scandinavische bergen smolt de sneeuw in de zomer nog nauwelijks, waardoor een landijskap ontstond die zich uitbreidde tot in Midden-Nederland. Het front van de landijskap lag op de plek van wat nu de Gelderse Vallei is (aan de andere zijde van de stuwwal) en duwde eerder afgezette rivierafzettingen (grind, zand, klei) voor zich uit en omhoog.

Smeltwater van het landijs
In warmere perioden ontstond er tussen de ijskap en de stuwwal een meer van smeltwater dat soms over de stuwwal heen kon stromen en een deel van de stuwwal weg kon schuren. Het bodemmateriaal dat daarbij werd weggespoeld werd aan de zuidzijde van de stuwwal weer neergelegd in de vorm van een golvende waaier, die ook wel als ‘sandr’ wordt aangeduid. In het nog snel stromende water bezonk grof zand en fijn grind, iets wat nog goed te zien is in de bodem van de Plantage. De kleinere leem- en kleideeltjes zijn verderop bezonken, waar het water rustiger ging stromen.
Figuur 2.  Het sneeuwsmeltwaterdal gezien vanaf de bovenzijde. Foto Overland 023

Smeltwater van sneeuw
Veel kleinere smeltwaterstromen ontstonden in de laatste ijstijd. Ze ontstonden als in de zomers de sneeuw smolt. Het water kon niet in de bevroren ondergrond zakken en stroomde oppervlakkig af, waarbij kleine dalen werden uitgeschuurd. De dalen zijn goed zichtbaar en bepalen voor een deel het golvende reliëf van Plantage Willem III. Goed zichtbare smeltwaterdalen zijn zeldzaam in Nederland, reden om het meest zichtbare dal uit te roepen tot aardkundig monument.
Figuur 3. Vier grafheuvels aan de hoge kant van de plantage op de stuwwal. Foto Overland 026

Grafheuvels
Vanaf ongeveer 2800 voor Christus was de stuwwal waarschijnlijk bewoond. De gestuwde rivierafzettingen waren relatief vruchtbaar en het was mogelijk om er akkers op aan te leggen. Water kan een probleem zijn geweest op deze hoogte, maar leem- en kleilagen in de ondergrond zorgden ervoor dat plaatselijk het regenwater niet in de bodem kon wegzakken. De vele grafheuvels op de hoogste delen van de voormalige plantage en in het bos daarboven, getuigen van grote menselijke activiteit in deze periode. De grafheuvels werden aangelegd als monument en de zichtbaarheid in het landschap moet een grote rol hebben gespeeld bij het kiezen van de locatie. Dat is ook nu nog in het landschap te zien. Veel grafheuvels zijn goed zichtbaar vanuit de laagte, en andersom is vanaf de grafheuvels een imposant uitzicht mogelijk. Vanwege die vroegere zichtbaarheid lijkt het waarschijnlijk dat ook in de prehistorie het landschap al vrij open moet zijn geweest met heide of schraal grasland. Om die reden herinnert het landschap ons niet alleen aan de tijd van de plantage of de geologische vorming, maar ook aan de prehistorie.
Figuur 4. Plantage Willem III op een kaart van omstreeks 1900. De bosstrook functioneerde deels als windsingel in verband met het microklimaat. De bosstrook was echter al aangelegd voor 1853. Mogelijk waren er eerder ook al plannen voor een plantage. De strook ligt ongeveer op de grenzen van de bezittingen van de kerk van Rhenen, de verpachter van de grond. Op de kaart zijn de tabaksschuren goed te zien. Op kaarten vanaf 1912 is de bosstrook verdwenen.

Heide
Vanaf de middeleeuwen verschoof de bewoning naar de randen van de heuvelrug, naar de overgangen met de lagere gronden. De stuwwal en smeltwaterafzettingen waren niet of nauwelijks bewoond en in gebruik als heide. Het gebied stond tot halverwege de negentiende eeuw bekend als de Remmerdensche Heide. Boeren uit de buurtschap Remmerden hadden gebruiksrechten lieten hier hun vee grazen. Boeren lieten hier hun schapen grazen en gebruikten de mest voor hun akkers. Ze staken hier plaggen die dienden als strooisel voor in de stallen. Soms kon te veel aan beweiding en plaggen leiden tot verstuiving, zoals op het Leersumseveld. Hier gebeurde dat niet of nauwelijks. De smeltwaterafzettingen bestaan uit grof zand en fijn grind dat niet gemakkelijk verstuift.
Figuur 5. Het landschap van de plantage, met bomenrijen die vroeger langs de wegen stonden. In de verte een tabaksschuur. Foto Overland 025.

Aanleg van de plantage
In 1853 werd de Plantage Willem III (vernoemd naar de toenmalige koning) gesticht op ongeveer 100 hectare heidegrond. Het is opmerkelijk dat juist hier in tabak werd geïnvesteerd. Voor tabak was veel mest nodig, meer dan op gewone landbouwgrond. En terwijl elders in Nederland tabak vooral werd geteeld op voorheen goed bemeste landbouwgronden, koos men hier voor relatief arme heidevelden. Er waren ook gunstige factoren te noemen. De plantage lag min of meer op het zuiden, en dat was gunstig voor de warmtebehoevende tabak. Er was hier bovendien een grootschalige aanpak mogelijk. Rond de plantage lag een brede bosstrook met geboomte en op de plantage werden lanen en bosjes geplant, die de wind braken en zo het warme microklimaat bevorderden. Er moeten enorme hoeveelheden mest zijn aangevoerd om tot een redelijke oogst te komen. De tabaksteelt was in de eerste jaren lucratief waarbij steeds een groter deel van het gebied werd ontgonnen. Er werd in de loop der jaren flink gebouwd, waaronder het hoofdgebouw, een herenhuis, arbeiderswoningen en 14 tabaksschuren met woningen aan de kop. Later in de negentiende eeuw werd de teelt minder rendabel. De beoogde plantage is nooit helemaal ontgonnen. Het meest noordelijke deel bleef heide. Op de ontgonnen gronden werd later fruit geteeld en vanaf 1964 werden er landbouwgewassen veredeld. Sinds 1995 is de voormalige plantage als natuurgebied in beheer bij Utrechts Landschap. Er zijn nog twee tabaksschuren op het terrein. Bomenrijen en bosjes herinneren nog aan de vroegere indeling van de plantage.

Natuur
Het wordt nu beheerd als een groot droog schraalgrasland met boomgroepen. Het terrein wordt begraasd door Konikpaarden, Gallowayrunderen en een schaapskudde. Ook grazen er wilde damherten. De gevarieerde begroeiing van kruidenrijke graslanden, boomgroepjes en struweel is van grote betekenis voor vogels als roodborsttapuit, geelgors, gekraagde roodstaart en boomleeuwerik. Ook de zandhagedis, vele vlinders, sprinkhanen en kleine zoogdieren voelen zich hier goed thuis. Het niet ontgonnen heideterrein ten noorden van de plantage is in de twintigste eeuw deels begroeid geraakt met bos. In 2011 is dat weer omgezet naar heide, zodat het droge smeltwaterdal nu goed beleefbaar is.
Figuur 6. De faunapassage gezien vanaf de uiterwaarden. Foto Willem Westland.

Plantage Willem III is verbonden met de Elster Buitenwaard door een 80 meter brede faunapassage onder de provinciale weg N225. Dieren kunnen daardoor ongestoord van uiterwaarden naar de heuvelrug trekken. De pilaren van de passage bestaand uit gelaagd zand en fijn grind, zoals dat ook in de smeltwaterafzettingen voorkomt. In de Elster Buitenwaard wordt de komende jaren nieuwe riviernatuur ontwikkeld.      

Opgesomd: wat herkennen we?

  • De glooiende smeltwaterafzettingen, met daarin het smeltwaterdal
  • De iets steilere stuwwalhelling in het noorden
  • Grafheuvels
  • De zes meter hoge steilrand op de overgang van de uiterwaarden naar de Rijn.
  • Delen van de vroegere beplanting op de plantage zijn nog zichtbaar, enkele vroegere ontsluitingswegen zijn herkenbaar aan de nog bestaande bomenrijen die er langs stonden.
  • De grens tussen het gecultiveerde land en de heide is tegenwoordig nog te herkennen als een lage wal met zomereiken en linden erop.
  • Er zijn twee tabaksschuren op het terrein blijven bestaan.
  • De ligging van de groenstrook is nog herkenbaar aan de loop van enkele lanen in het bos.
  • De faunapassage onder de weg.

 

Aardkundig Monument
Op Plantage Willem III is een sneeuwsmeltwaterdal uit de laatste ijstijd te bezichtigen, dankzij het open terrein. Daarom heeft provincie Utrecht het smeltwaterdal en haar directe omgeving in 2000 tot aardkundig monument benoemd.

Het gearceerde gebied geniet provinciale bescherming.

De aardkundige betekenis van het gebied is hoog, omdat het sneeuwsmeltwaterdal de processen die horen bij een ijstijd goed laat zien. Ook de landschappelijke variatie is groot in dit gebied, omdat de plantage grenst aan het rivierengebied en aan de Utrechtse Heuvelrug.

Omdat de tabaksteelt direct verband houdt met de geologie en ligging van dit gebied wordt hierop nader ingegaan door het overnemen van een artikel in OUD RHENEN, zevenentwintigste jaargang - september 2008, het tijdschrift van
HISTORISCHE VERENIGING OUDHEIDKAMER RHENEN EN OMSTREKEN