Groeve Oostermeent en Rijsbergen

bijgewerkt 05-05-2020
Bron: © RAAP/Overland

Tussen Blaricum en Huizen ligt een grote zandgroeve die zich uitstrekt van de hoogste delen van de stuwwal Huizen – Laren tot aan de voet ervan. Tientallen jarenlang volgden geologen nauwlettend de graafwerkzaamheden. In de wanden van de groeve was precies te zien uit welke afzettingen de stuwwal is opgebouwd. Inmiddels zijn die wanden wat uitgezakt en begroeid geraakt, maar kenners herkennen aan kleur, stenen en de aard van het zand nog welke lagen het betreft. Wat de groeve extra bijzonder maakt zijn de gave historische landschappen direct grenzend aan de zuidrand van de groeve. Op deze grens is te ervaren hoe geologische afzettingen in verband staan met vroegere gebruiksmogelijkheden van mensen en met de landschappen welke zich daardoor hebben gevormd.

Waar ...
toegevoegd door Geopark

De Groeve
In 1925 kregen de gebroeders Van den Brink, aannemers te Laren, toestemming om tussen Huizen en Blaricum zand te winnen en een kalkzandsteenfabriek te bouwen (figuur 1). De omstandigheden waren goed. De Gooise Tramlijn was net aangelegd. Daarmee werden kolen uit Limburg en kalk uit België aangevoerd. Voor de afvoer van stenen werden speciale wagons geconstrueerd. Ook de nabije haven van Huizen was van belang voor aan- en afvoer. Het af te graven terrein was bovendien goedkoop. De grond was geen privé-eigendom, maar in gebruik als meent, als begrazingsgebied in gezamenlijk gebruik van de gerechtigde Gooise boeren, de Erfgooiers. Afspraken waren gemaakt over oplevering van de afgegraven gronden als weiland. De kalkzandsteenfabriek bestaat nog steeds. De groeve heeft dienstgedaan tot 1975. De groeve is tegenwoordig een geologisch monument. De gronden van de groeve worden nu beheerd als natuurgebied net als die van de aangrenzende oude meentgronden.

Figuur 1. Topografische kaart met hoogtebeeld van de groeve (nr. 1 omgeven, door paarse stippellijn). Links de kalkzandsteenfabriek. In het noorden de bebouwing van Huizen (deels gebouwd in afgegraven gebied). De groeve is geheel aangelegd op vroegere meentgronden. In gebied 2 is nog het landschap van de meentgronden te zien. Bij de Warandebergen (westelijke nr. 2) zijn de meentgronden bebost. Nummer 3 is het deels beboste en bebouwde, maar nog altijd zeer fraaie landschap van de Blaricummer Eng.

De hoge delen van de groeve: een mengsel van keileem en stuwwalzand
Wie de geologische afzettingen van de groeve wil begrijpen, moet zich verdiepen in het ontstaan van de stuwwal. Het begon allemaal in de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Vanuit Scandinavië had zich een ijskap gevormd die zich uitstrekte tot wat nu het Gooi is. Voor het front van de ijskap werd de onderliggende bodem opgeduwd, zodat de stuwwallen van het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug ontstonden. Ter hoogte van de stuwwalrug Huizen-Laren trok het ijsfront zich tijdelijk terug om later opnieuw op te schuiven, nu over de bestaande stuwwal heen. Onder dit ijs werd de bodem vermalen, samengeperst en vermengd met zand, leem en keien, die het ijs op de reis vanuit Scandinavië had meegebracht. In de laatste ijstijd, het Weichselien, bereikte het landijs ons land niet. De stuwwal was echter bevroren. Als in de zomer de sneeuw smolt, ontdooide de bovengrond tot een slappe moddermassa, die langzaam van de stuwwalhelling afschoof. Ter plekke van de Groeve Rijsbergen bleef na de ijstijd een metersdik pakket van over van keileem gemengd met stuwwalzand en veel door het ijs meegenomen stenen. Die stenen zijn in de groevewanden nog te herkennen, maar ze sieren ook menig straat, plein of tuin in het Gooi. Bewoners van het Gooi konden ze bij de groeve op komen halen.

De hoge delen van het landschap: prehistorische bewoning en de Blaricummer Eng
Het materiaal dat in de hoge delen van de groeve aan de oppervlakte ligt is vrij rijk aan mineralen. De leem houdt voedingsstoffen en water beter vast dan zand. Prehistorische boeren maakten daar gebruik van. Er zijn aanwijzingen dat in het gebied van de Warandebergen en de Blaricummer Eng een prehistorische nederzetting heeft gelegen.
Vanaf de volle middeleeuwen heeft de eng van Blaricum zich over deze gronden uitgebreid (gebied 3 op de kaart). Buiten de eng lagen zogenaamde meentgronden, waar Gooise boeren vee konden laten grazen. Deze meentgronden lagen meestal in lage delen met graslanden. Het is opmerkelijk dat ze hier zo hoog liggen. De groeve werd in deze meentgronden precies tot op de randen van de akkers van de Eng gegraven. Op die randen lagen aarden wallen begroeid met hakhout en stekelige struiken, die het vee van de meent moesten tegenhouden. De rand van de groeve valt hier nu samen met deze oude wallen op de rand van de eng.


De Warandebergen zijn nog een restant van de vroegere meent. Waar voorheen vee graasde op natuurgraslanden is nu bos opgekomen. Het begrip warande staat voor terreinen waarvan het recht om te jagen door de graaf (en later de Staten van Holland) werd geschonken of verpacht. Hier betrof het konijnenwaranden. De pachter van de warande mocht de konijnen bejagen, maar had ook de plicht om de konijnenstand op peil te houden.

De lage delen van de groeve: armere dekzanden
Het oostelijke en lagere deel van de groeve heeft een heel andere ontstaanswijze, en dat is in de afzettingen te zien. In de laatste fase van de laatste ijstijd (het Weichselien) was het zeer koud en droog. Het landschap had het aanzien van een poolwoestijn. Op grote schaal ontstonden zandverstuivingen en vrijwel heel Nederland werd bedekt met een laag van zogenaamd dekzand. Alleen de hoge delen van de stuwwallen werden niet door het stuifzand bereikt. Aan de voet zette de wind een patroon van lage duinen of zandruggen af. In de verse groevewanden was nog zichtbaar hoe deze dekzanden het mengsel van grof zand en grind van de stuwwal bedekken.

De lage delen van het landschap: meenten
Ten zuiden van de groeve is nog het landschap te zien dat op deze armere zanden is ontstaan. Het gebied was in gebruik als meent. Meestal werden koeien op meenten gehouden. Die houden van grassen op vochtige gronden. Omdat deze meent droog was, bestond de vegetatie uit schrale droge graslanden met plaatselijk heide, waarop waarschijnlijk ook schapen werden gehouden. Bijzonder is dat de Meent nooit ontgonnen is tot landbouwgrond of is bebost. Hoewel delen ervan vanaf de jaren 60 zijn bebouwd, heeft de meent heeft hier nog steeds het aanzien van grootschalige, onverdeelde schrale graslanden, een zeer zeldzaam type landschap in Nederland. Het zwak golvende reliëf van het dekzand is nog te herkennen.

Opgesomd: wat herkennen we nog?

  • Een diepe groeve over vrijwel de hele oostelijke helling van de stuwwal.
  • In de wanden en op de bodem zwerfstenen en grind afkomstig uit gestuwde rivierafzettingen en keileem.
  • Vooral de zuidelijke wand van de groeve vormt een fraai contrast met de ten zuiden daarvan gelegen landschappen. Langs de groeve is een gradiënt in het landschap te zien, die in zekere zin een vertaling is van de sedimenten en de daarin gevormde bodems in de groevewanden.
  • Het kleinschalige landschap van de Blaricummer Eng.
  • De grens van de Blaricummer Eng in een vorm van een wal, die samenvalt met de rand van de groeve.
  • Het landschap van de Meent met onverdeelde schrale graslanden en dekzandreliëf.
  • Bestrating en keien afkomstig uit de groeve in tuinen en bestratingen in Huizen en Blaricum.

Beheerder: Goois Natuurreservaat https://gnr.nl/de-natuur-in/gebieden/groeve-oostermeent