Langbroekerwetering

bijgewerkt 27-05-2020
bron:  © RAAP/Overland

‘Wie het breed heeft, kan het breed laten hangen’. Dat spreekwoord gaat zeker op voor de landgoedbezitters langs de Langbroekerwetering. Kasteel na kasteel, buitenplaats na buitenplaats vinden we langs dat kanaaltje. Maar waarom juist hier?

Waar ...
toegevoegd door Geopark

Uit woestenij ontstaan
Nog rond 1100 was het gebied in nattere perioden moeilijk begaanbaar. Het was een uitgestrekt zompig gebied met bossen waarvan de voeten een groot deel van het jaar in het water stonden. Het was het natte achterland van de oeverzone langs de Kromme Rijn: rivier- of komkleigronden. Door water vanuit de Heuvelrug én vanuit de rivier waren de bodems hier nog eens extra nat. De gronden waren zwaar te bewerken, nat en lange tijd onaantrekkelijk voor ontginning. De bewoners van het nabijgelegen Cothen of de dorpen langs de Heuvelrug kwamen hier hooguit om hout te halen. Misschien dat er periodiek wel eens een perceeltje grasland lag waaruit hooi werd geoogst.
Figuur 1. Historisch kaartbeeld van de omgeving van (Neder)Langbroek, omstreeks 1900. Binnen de karakteristieke stroken- of slagenverkaveling zien we een groot aantal buitenplaatsen.

Dat veranderde in 1122. Op last van de bisschop van Utrecht werd de verzandende Kromme Rijn afgedamd. Het gebied overstroomde daardoor minder vaak. Om het vele water in het gebied weg te krijgen, werd een afwateringskanaal aangelegd: de Langbroekerwetering.

Nieuw boerenland
Haaks op dat kanaal werden sloten aangelegd om het aangrenzende land te ontwateren. Dat werd daardoor bruikbaar voor boeren die op de kop van de kavel een boerderij mochten bouwen. Per ontginningsproject was er plaats voor enkele tientallen boeren. De oorspronkelijke boerderijen zullen wel van hout geweest zijn. We vinden er in de bodem niet veel meer van terug. Nog altijd vinden we langs de weg boerderijen, nu van steen, soms nog uit de zeventiende eeuw.
Figuur 2. Het huis Sandenburg aan de Langbroekerwetering (bron: Wikimedia Commons).

Tot welstand gekomen
Op de natte, maar na ontginning vruchtbare grond was het goed boeren. Veel boerenfamilies wisten binnen enkele eeuwen een enorm fortuin te vergaren. Zij investeerden dat zoals ook de adellijke families dat deden: ze lieten vanaf de dertiende eeuw bij hun boerderij een zomerhuis bouwen in de vorm van een woontoren. Volgende generaties bouwden die torens steeds verder uit: er lagen heuse kastelen aan de wetering. Vanaf de zeventiende eeuw werden rond die woontorens ook tuinen ingericht, in het begin vaak met fraaie rechte lanen en fraaie geometrische tuinperken. Zowel de gebouwen als de tuinen veranderden door de eeuwen heen steeds met de mode mee. Ondertussen werden uit het omliggende land nog opbrengsten gehaald, zowel uit de land- als bosbouw. Van al die buitenplaatsen vinden we een groot deel nog steeds terug, zoals Sterkenburg, Sandenburg, Leeuwenburgh, Lunenburg, Walenburg en Groenesteyn.
kasteel Sterkenburg (bron Wikipedia)

Dorpen
In Langbroek kwam niet alleen een langgerekt lint met boerderijen en kasteeltjes tot stand, maar ontstonden ook twee dorpen: Overlangbroek en Nederlangbroek, dat tegenwoordig als Langbroek bekend staat. In dat laatste dorp was al direct bij de ontginning land vrijgehouden voor de pastoor. Een paar eeuwen later ontstond ook Overlangbroek, waar in ieder geval in de veertiende eeuw een kerk gebouwd werd. De oudste delen van beide huidige kerken dateren uit de vijftiende eeuw. Zij liggen in het lint; in Langbroek is al vroeg een dorpsplein voor de kerk ontstaan, de nu rijksbeschermde Brink. Deze dorpen werden de sociale, bestuurlijke en religieuze kernen van het gebied.

Betekenis voor de maatschappij
Veel landgoedeigenaren in Nederland en daarbuiten speelden een belangrijke rol in de vernieuwing van land- en bosbouw in de negentiende eeuw. In de laatste anderhalve eeuw zien we juist een tegengestelde beweging: waar in het ‘gewone’ boerenland het landschap steeds grootschaliger en rationeler werd ingericht, acteerden landgoedeigenaren juist veel conservatiever. Het landschap bleef veelal kleinschalig, wat een belangrijke invloed had op de aanwezige landschaps- en natuurwaarden. Daardoor zijn veel landgoederenzones nu de gebieden waar ecologische waarden goed bewaard zijn gebleven.

Opgesomd: wat herkennen we?

  • Grasland en natte bossen, die goed groeien op de zware en nog altijd vrij natte kleigronden;
  • De Langbroekerwetering met begeleidende weg, met haaks daaropstaande verkaveling en ontwateringssloten;
  • De vele boerenerven die de agrarische geschiedenis van het gebied vanaf de twaalfde eeuw visualiseren;
  • Landgoederen en buitenplaatsen met merendeels middeleeuwse huizen, sommige nog herkenbaar en andere alleen ondergronds bewaard, met bijbehorende grachten, tuinen, parken en een afwisseling van landbouwgronden en bossen als symbool van de rijkdom die het gebied binnen twee eeuwen na ontginning wist te genereren;
  • De weteringen aan noord- en zuidzijde als oorspronkelijke begrenzing van de opstrekkende ontginning;
  • Hakhoutbroekbossen als relict van de eertijds veel nattere omstandigheden in het gebied;
  • De dorpen (Neder)Langbroek en Overlangbroek als sociale en religieuze kernen van het gebied.

bron: RAAP