Pluismeer, Stulp en Hoge Erf

bijgewerkt 27-05-2020
bron:  © RAAP/Overland

Wie Baarn zegt, zegt Soestdijk. Landgoederen met hun prachtige huizen en tuinen zijn erg indrukwekkend. Degene die verder kijkt, ziet dat de invloed van de adel niet stopte bij de tuin. Ook daarbuiten is de invloed van de grootgrondbezitters af te lezen. Sterker nog: al ver vóór hen werd het landschap hier gebruikt. Hoe zien we dat nog terug?

Waar ...
toegevoegd door Geopark

Met veel geweld
Het moeten ongelooflijke krachten zijn geweest die in de laatste fase van de voorlaatste ijstijd de ondergrond tot heuvels hebben opgeduwd. In de laatste ijstijd is daar door de wind een gordel van zand omheen afgezet. Nog weer later in de geschiedenis is een deel van dat zand tot kleinere, grilligere structuren opgewaaid. Waar het zand wegwaaide, ontstonden laagtes waarin water bleef staan. Het kon hier niet in de bodem wegzakken. Daardoor ontstond het Pluismeer.

Figuur 1. Een heel herkenbaar beeld van het reliëf van de omgeving van Lage Vuursche, met de grote hoogte van ’t Hoge Erf en het grillige stuifzand aan de zuidoostelijke rand ervan. Een aantal grafheuvels en grafheuvelgroepen hebben we met blauwe ovalen aangeduid.

Het was er ooit druk
We kunnen het ons nu misschien lastig voorstellen, maar duizenden jaren voor Christus woonden en werkten er in dit gebied al mensen. Ze bedreven er primitieve landbouw op kleine akkertjes die om de zoveel jaar op een andere plek werden aangelegd. Hun doden werden in en om grafheuvels begraven die aan de rand van de grote heuvel werden aangelegd. De omgeving van ’t Hoge Erf bleef voor de prehistorische mens interessant want begraven werd er vermoedelijk nog duizenden jaren. Op de heuvel vinden we nog relicten van een oud akkersysteem uit de laatste 800 jaar vóór Christus, zogenaamde raatakkers. Men boerde op de vruchtbaardere hoge top van de heuvel terwijl de flanken voor begraven werden gebruikt. Waar de huizen stonden tijdens al deze duizenden jaren van bewoning weten we eigenlijk helemaal niet.

Figuur 2. Het heide- en stuifzandlandschap van De Stulp, op de arme zandgronden aan de randen van ’t Hoge Erf
(foto: RAAP/Luuk Keunen).

Woest en verlaten
Na de prehistorie, aan het begin van onze jaartelling, werd het gebied verlaten. Waarschijnlijk kreeg men geleidelijk aan een voorkeur voor de vochtiger, lager gelegen gronden. De oude woeste gronden veranderden in een aaneengesloten halfopen landschap. Doordat de mens nog steeds wel gebruik maakte van het gebied – denk aan hout verzamelen en vee weiden – ging de aftakeling van het bos verder. Ook de bodem van de dekzanden rond de stuwwal ging kapot: van bos werd het heide, van heide ging het naar stuifzand.

De adel ontfermt zich
Tot in de zeventiende eeuw waren kastelen vooral van militair belang. De gebouwen waren vooral functioneel, soms ook om je aan bepaalde voorrechten te helpen. Zo mocht je alleen in het provinciaal bestuur zitting nemen als je een stenen huis met een gracht eromheen had. Gaandeweg veranderde dat en kregen de huizen ook een functie als ‘buitenverblijf’. Daarbij hoorde het aanleggen van tuinen en parken, en het halen van inkomsten uit bosbouw. Heidevelden waren niet langer ‘die enge woeste verlaten plekken’, maar een gebied waar je geld mee kon verdienen. Vooral in de achttiende en negentiende eeuw kwam de heidebebossing steeds verder op gang. De armste bodems bleven het langst ongebruikt liggen. Door natuurlijke verspreiding van dennenzaad groeiden de stuifzandgebieden vol met vliegdennen. Natuurbeheerders hebben deze bossen in de afgelopen eeuw deels weer gekapt.

Figuur 3. Een inmiddels in het bos opgenomen parkboselement van landgoed Drakensteyn (foto: RAAP/Luuk Keunen).

Wilde plannen
Het had niet veel meer gescheeld of het Pluismeer was er helemaal niet meer geweest. De bosbouw, ooit een interessante inkomstenbron voor de adel, leverde rond 1960 weinig meer op. Bovendien was het nabijgelegen landgoed Drakensteyn, waartoe delen van het heide- en bosgebied ooit behoorden, onder familieleden verdeeld geraakt. Inkomsten en uitgaven waren daardoor ongelijk verdeeld. De eigenaresse van de bossen en heidevelden rond De Stulp ontwikkelde het plan om een racecircuit, grote zandwinningsplas en bungalowpark aan te leggen. Niet alle overheden waren het er mee eens en in de Tweede Kamer werd zelfs over onteigening gesproken. Toch was de zandwinning al gestart, waardoor de Kuil van Drakenstein ontstond. Ook het bungalowpark kwam er. Het bos- en heidegebied werd uiteindelijk door Staatsbosbeheer gekocht, die het nog altijd beheert.

Opgesomd: wat herkennen we?

  • Het macroreliëf in het terrein, namelijk de stuwwalkop van ’t Hoge Erf, omgeven door een dekzandgordel, met daarin het stuifzandreliëf rond De Stulp en Pluismeer, (mede) ontstaan door menselijke overexploitatie van het landschap;
  • Prehistorische landgebruikssporen in de vorm van celtic fields op de stuwwalkop en grafheuvels aan de flanken op de armere dekzanden;
  • Landschappelijke structuren die wijzen op de ligging in de periferie van buitenplaatsen: laanstructuren, landschappelijke verfraaiingen als uitzichtheuveltjes, parkboselementen in de nabijheid van kasteel Drakensteyn en enkele kleinere erven uit verschillende perioden, zoals ’t Meerhuis en Drakenbosch;
  • Het Pluismeer met zijn ecologische kwaliteiten als voorbeeld van stagnerend regenwater in een uitblazingslaagte van het stuifzandreliëf;
  • Menselijke pogingen op de standplaatscondities te verbeteren in het kader van de bosbouw, in de vorm van rabatten, en grotere en kleinere greppels, alsmede de veewerende wallen langs de Zevenlindenweg;
  • Relicten van ‘vliegdennen’ als uiting van spontane bebossing van de voormalige heide na het staken van het gebruik;
  • Sporen van kleinere en grotere vormen van delfstoffenwinning, van kleinere particuliere winningsgaten op ’t Hoge Erf tot de industriële Kuil van Drakenstein nabij De Stulp, alsmede een ‘recreatief landschap’ met een camping en bungalowpark aan de Zevenlindenweg.