Uiterwaarden Nederrijn

bijgewerkt 27-05-2020
bron:  © RAAP/Overland

Al vele duizenden jaren stroomt de Rijn langs plekken die we nu kennen als Rhenen, Elst en Amerongen. Die rivier snoepte steeds stukjes van de hogere zandgronden af. Daardoor ontstond een markante overgang in het landschap, van riviervlakte naar stuwwal. Tegelijk verlegde de rivier ook steeds zijn loop. Oude rivierbeddingen en –beddinkjes verlandden, maar zijn als geulen in het terreinreliëf nog herkenbaar. Wat zien we nog meer van de dynamiek van de rivier, en hoe maakte de mens hiervan gebruik?

foto Geopark

Waar ...
toegevoegd door Geopark

Bijzonder karakter
In het reliëf van de uiterwaarden zijn de vele geultjes en oude rivierlopen nog te herkennen als langgerekte, smalle laagtes. Die laagtes werden in de middeleeuwen gebruikt om sloten doorheen te leggen. Daardoor ontstonden perceelsvormen die aansluiten op de structuur van de ondergrond. Door het winnen van klei (aftichelen) is dit reliëf nog maar op enkele plekken goed te zien, zoals langs de Rijnsteeg tussen kasteel Amerongen en het veer.
Figuur 1. Hoogtebeeld van het rivierengebied langs de Nederrijn met de stuwwal tussen Leersum (linksboven) en de Blauwe Kamer (rechtsonder). Links zien we de tweezijdig bedijkte rivier; de noordelijke dijk sluit bij Amerongen op de stuwwalhoogte aan. Aan het bochtige verloop van de steilrand tussen riviervlakte en stuwwal is te herkennen dat vroegere rivierlopen hier de stuwwal hebben ‘weggevreten’.

Weren van water
De uiterwaarden tussen Rhenen en Amerongen zijn bijzonder doordat ze nooit bedijkt hoefden te worden: de hogere zandgronden van de stuwwallen zorgden voor een natuurlijke barrière voor het water. Ten westen van Amerongen en bij de Blauwe Kamer werd het water wel tussen dijken gedwongen. Daar had het steeds minder ruimte. Dat zorgde ervoor, dat ook in de onbedijkte uiterwaarden het water steeds vaker hoog kwam te staan. Daarom werden door de gebruikers van het gebied wel lage kades langs de rivier, zomerkades, aangelegd. Door de situatie moest de weinige bebouwing die in het gebied tot stand kwam, op een verhoging worden gebouwd.
Figuur 2. Hoogtebeeld van de Amerongse Bovenpolder, met herkenbaar de zomerkade (rood, langs de rivier), oud reliëf in geel en bruin, en afgetichelde percelen in blauw/groen.

Strategisch wonen
De strategische ligging van de uiterwaarden langs de rivier was ook de belangrijkste reden dat twee broers met de naam Borre in 1286 toestemming vroegen aan graaf Floris V van Holland om hier een kasteel te mogen bouwen. In die tijd was dat niet meer dan een omgrachte woontoren, wellicht op een hoogte (motte) aangelegd om droge voeten te houden. Het water zorgde voor een natuurlijke verdediging. Dit militaire steunpunt verloor na de middeleeuwen zijn betekenis. De militaire technieken waren al zo ver gevorderd dat een kasteel zonder moeite ingenomen kon worden. Na verwoesting door de Franse bezetter in 1673 werd door de toenmalige eigenaar een nieuw kasteel gebouwd volgens de laatste mode. Bij het kasteel werden tuinen aangelegd, en die combinatie van kasteel en tuinen vinden we tegenwoordig nog terug. In 1918 kreeg het kasteel nog een extra betekenis toen de afgezette Duitse keizer Wilhelm II hier enige tijd verbleef voor hij naar Doorn vertrok. Iets verder naar het oosten lag het omgrachte kasteel Lievendaal, waarvan de gracht nu nog bestaat. Ook het Utrechtse grensstadje Rhenen kreeg zijn vestingwerken vanwege de strategische ligging aan de Rijn en de grens van het Sticht.
Figuur 3. Luchtfoto van kasteel Amerongen en omgeving, vanuit het oosten. Op de achtergrond zien we de dijk aansluiten op de hoogte bij het dorp (bron: Rijkswaterstaat).

Industrieel gebruik
Tot in de middeleeuwen bouwden de mensen hun huizen van hout. Dat was volop aanwezig in de bossen op de zandgronden, of werd over de rivier van elders aangevoerd. In de late middeleeuwen veranderde dat. Huizen in de stad en kastelen op het platteland werden steeds vaker in steen gebouwd. Als er klei in de bodem aanwezig was, werden de veldovens om er stenen van te bakken vlakbij de plek waar het stenen gebouw moest komen, geplaatst. Ook in dit deel van de Nederrijn kennen we al veldovens uit de zeventiende eeuw. In de eeuwen erna nam de vraag naar baksteen steeds verder toe. Ook ‘gewone’ huizenbezitters wilden nu in steen bouwen. Zowel bij Elst als bij Rhenen stonden in de vroege negentiende eeuw al veldovens. Aan het eind van die eeuw werd opgeschaald: eenvoudige ovens werden vervangen door fabrieken. In Elst gebeurde dat in 1877, in de Blauwe Kamer rond 1880 en in Remmerden in 1898. De oven in de Palmerswaard bij Rhenen maakte deze ontwikkeling niet door, misschien omdat er te weinig uiterwaard beschikbaar was.

Natuurontwikkeling
Inmiddels is een nieuwe fase in de geschiedenis ingegaan: we erkennen de natuurwaarden van uiterwaarden. Behalve waterveiligheid, dat andere grote thema in het rivierengebied, is het bieden van een thuis aan (rivier-gebonden) flora en fauna nu de belangrijkste rol van uiterwaarden. De uiterwaarden zijn daarom in internationaal perspectief als Natura2000-gebied aangewezen. Dat dat niet alleen een papieren betekenis heeft, zien we al in het gebied. De Blauwe Kamer liep voorop bij het inzetten van grote grazers in een soort natuurbeheer dat we ‘procesnatuur’ noemen. In 2011 werd de steenfabriek bij Elst grotendeels gesloopt, en het hoogwatervrije terrein werd voor een belangrijk deel afgegraven. Natuurontwikkeling vindt daarnaast onder meer plaats in de Elster Buitenwaarden en de Palmerswaard.
toegevoegd door Geopark

Opgesomd: wat herkennen we?

  • Oude geulpatronen en verlaten kronkelwaarden in de Amerongse Bovenpolder, deels gekenmerkt door gegraven sloten die deze geulen volgen;
  • Een restgeul die tot 1815 de grens tussen Gelderland en Utrecht vormde;
  • Open uiterwaarden met relicten van agrarisch gebruik (verkaveling) en recentere vormen van natuurontwikkeling (water met opgaand bos);
  • Militair en industrieel gebouwd erfgoed in de vorm van kasteel Amerongen, het omgrachte kasteeleiland van Lievendaal, de hoornwerken van de Grebbelinie en de verschillende steenfabrieksterreinen, deels ruïneus, alsmede aftichtelingsreliëf;
  • De deels beboste steilrand naar de stuwwal als natuurlijke waterkering;
  • Windmolens op of nabij de steilrand als getuige van de gunstige windvang in verleden en heden.