Westbroekse Zodden

bijgewerkt 09-07-2020

 

Waar?
De Westbroekse Zodden zijn bereikbaar via het Bert Bospad, halverwege de Kerkweg, met een kleine parkeerplaats.

Eerst even ... wat is veen?
Veen wordt gevormd onder natte en vochtige omstandigheden als dood plantenmateriaal langzaam afgebroken wordt. De afbraak kan zelfs zo langzaam verlopen dat er meer nieuw organisch materiaal ophoopt dan dat er oud materiaal wordt afgebroken. Als deze situatie zich voordoet is er sprake van veenvorming. Veen bestaat dus uit organisch materiaal, waarin vaak nog de resten van planten zijn te herkennen. Deze plantenresten, zoals stukken boomwortel of rietstengels, zijn soms vele duizenden jaren oud.

De aanzet voor de vorming van de huidige veengebieden is circa 10.000 jaar geleden begonnen toen aan het einde van de laatste ijstijd de temperatuur en de zeespiegel gingen stijgen. Met het stijgen van de zeespiegel steeg het niveau van het grondwater. De rivieren in het westen van Nederland werden hierdoor gehinderd in hun afvoer, waardoor riviervlakten (kommen) overstroomden. In deze natte kommen die vervolgens een groot deel van het jaar onder water bleven staan, ontstond op uitgebreide schaal veen.

Het veengebied werd ontwaterd via tal van kleine veenstroompjes, waarvan onder ander de Kromme Mijdrecht, de Mije, de Grecht en de Angstel nog bestaan. Het rivierwater kon bij overstromingen het veengebied binnendringen via veenstroompjes. Hierbij werd met name dicht bij de loop van deze veenstroompjes klei afgezet. In het veengebied zijn dan ook talrijke kleibanen terug te vinden, die soms herkenbaar zijn als een wat hoger gelegen rug in het vlakke landschap. De kleibanen vormden in het moerassige gebied een strook waarvan de ondergrond betrekkelijk stevig was.

Het veengebied is van oudsher op een zeer regelmatige manier verkaveld. De ontginning startte vanuit een bepaalde as, de ontginningsbasis. Dit was vaak een veenstroompje, een oeverwal of een gegraven wetering. Hierop zijn ook nu nog de oude boerderijen terug te vinden. Vanuit de ontginningsbasis werd het woeste land geschikt gemaakt voor de landbouw. Dit gebeurde door de aanleg van landbouwpercelen met een vaste breedte- en lengtemaat. Deze percelen zijn omgeven door sloten, waarvan het water maar net onder het maaiveld staat. Deze cope-ontginningen zijn op veel plaatsen in het westen van de provincie Utrecht nog terug te vinden.

bron: © RAAP/Overland
Westbroekse Zodden

Als we het over zonnepanelen of windmolens hebben, spreken we vaak over ‘energielandschappen’. Het principe is niet nieuw: al duizenden jaren haalt de mens energie uit het landschap. Lange tijd was dat bijvoorbeeld hout, maar in West-Nederland ook wat anders: turf, om te verbranden. Wat had dit voor gevolgen voor het landschap?

Figuur 1. Hoogtebeeld van de Westbroekse Zodden en omgeving. Hoe roder, hoe hoger. We herkennen de hogere percelen van het dorp, waar het onderliggende veen minder oxideerde, en het doorschijnende dekzandrelïëf in het noorden. De veenlaag bij de Zodden was vanouds al vrij dun.

Een veenrug beklimmen
Het is moeilijk voor te stellen in het vlakke Nederlandse polderland: zo’n duizend jaar geleden kende ook dit gebied hogere en lagere delen. Waar rivieren stroomden, was het landschap vlak. Tegen een oplopende zandige ondergrond groeide het veen soms omhoog: een veenrug. Daadwerkelijk hoogveen ontstond waar er zoveel veen was gevormd uit afgestorven plantenresten, dat het veen alleen nog meer onder invloed van regenwater stond.

Ontwateren en zakken
Figuur 2. Historisch kaartbeeld van de omgeving van Westbroek, omstreeks 1900. In een deel van het gebied is de slagenverkaveling vervangen door langgerekte petgaten.

Na het afdammen van de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede in 1122 daalde het waterpeil in de Vecht zo ver, dat het mogelijk was om het achterliggende gebied te ontginnen. Waarschijnlijk was het de bisschop van Utrecht, de machtigste kracht in die periode in het gebied, die de percelen uitgaf aan geïnteresseerde particulieren. Zo’n uitgifte noemen we een ‘cope’. Haaks op de oeverwal werden sloten het veen in gegraven, waardoor het water uit de hoge veenrug naar de Vecht kon afstromen. Daardoor ontstonden lange, strookvormige percelen. Na verloop van tijd werd een achterkade aangelegd, om het zure water uit het resterende veen tegen te houden. Als men dan hogerop wilde ontginnen, werd deze achterkade de nieuwe basis waarlangs de boerderijen werden gebouwd. Als we de oeverwal meerekenen, is de huidige Kerkdijk de vierde fase van deze ontginning. In de verschillende ontginningen werden geen afspraken gemaakt over de plaats van die nieuwe bewoningslinten: ze verspringen nu soms met bajonetbochten.

Toen die in het midden van de vijftiende eeuw was aangelegd, kon het laatste deel tot aan de Hollandse Rading in cultuur worden gebracht. Dat duurde tot in de zestiende eeuw. Die Hollandse Rading was een oude grens die al eeuwen bestond, maar bij het naderen van de ontginningen definitief werd vastgelegd.

Als veen wordt ontwaterd heeft het een bijzondere eigenschap: het klinkt in én het ‘vervliegt aan de lucht’, het oxideert. Hoe meer het water uit het veen wordt gehaald, hoe verder het maaiveld daalt. Dat zorgde ervoor, dat het aanvankelijke akkeren op de kavels plaats maakte voor gebruik als grasland. Windmolens moesten er bovendien voor zorgen dat het teveel aan water nog naar de rivier geloosd kon worden.

Turfwinning
De oorspronkelijke veenontginning had vooral tot doel om meer landbouwgrond te scheppen. Een enorm gebied in West-Nederland werd tussen 1000 en 1600 van woeste venen in landbouwgrond omgezet, waardoor vele extra monden konden worden gevoed. Ondertussen groeiden echter ook de steden en verdwenen de bossen in de kachels. Dat leidde tot een enorm tekort aan brandstof. Daardoor werden op vele plaatsen de oude venen niet alleen ontwaterd voor de landbouw, maar nu ook afgegraven voor de turfwinning. Daarbij werd eerst boven water, maar later ook onder de grondwaterspiegel, veen weggegraven of (onder de waterspiegel) gebaggerd. Wat overbleven waren petgaten, die uiteraard met water volliepen. Op de aangrenzende legakkers, smalle stukken land tussen de winningsgaten, werd de turf te drogen gelegd. Daarna vond de afvoer plaats, in dit geval via de speciaal daarvoor aangelegde Tienhovense Vaart. Het gebied leverde verder onder meer nog riet, dat als dakbedekking geschikt was.

Natuurdoelen
Tegenwoordig graven we er al lang niet meer naar turf. Het water was echter lange tijd onbruikbaar voor de inwoners van het gebied. Net als bij stuifzanden op de droge gronden was het water ook een soort ‘woestenij’ door overexploitatie. Gelukkig zag men in de vorige eeuw de natuurwaarden van het gebied in. We vinden er verschillende stadia van veenvorming, zoals trilvenen. Daaromheen groeit moerasbos. Er komen bijzondere plantensoorten voor, die met veenvegetaties verbonden zijn, en vogels broeden er in grote getalen.

Figuur 4. Trilvenen in de oude petgaten (foto: RAAP).
Opgesomd: wat herkennen we?

  • De ontginningsbasis in de vorm van de oeverwallen langs de Vecht met de weteringen aan de binnenzijde daarvan;
  • De haaks daarop georiënteerde strookvormige veenverkaveling, die – in ontginningsblokken gegroepeerd – van de oeverwallen naar de Hollandse Rading loopt;
  • De successieve ontginningsbases langs de verschillende dwarswegen (Gageldijk, Westbroekse Binnenweg, Kerkdijk), met het huidige dorp Westbroek en de daarin aanwezige vijftiende-eeuwse kerk als laatste nederzettingsfase;
  • De relicten van turfwinning in de vorm van petgaten binnen de oude verkavelingsstructuur, met de ecologische kwaliteiten die zich binnen de petgaten en op de legakkers bevinden.

 

Aardkundig Monument
Op 11 februari 2019 werd een paneel over de geschiedenis van het veen in Westbroek onthuld en daarmee
De Westbroekse Zodden publiekelijk tot Aardkundig Monument benoemd.

Het in Cortenstaal gemaakt paneel toont bovenop een korte toelichting en aan de voorzijde de afbeelding van een turfsteker.

In de grondplaat is een deel verend gemonteerd om het gevoel van trilveen te geven.