Heuvelrug Noord- het Gooi-Naerdincklant

bijgewerkt 09-01-2020

Aardkundige waarden
Landschappelijk is Het Gooi vrij uniek. De streek bezit een hoge zandrug, de licht heuvelachtige noordelijke uitloper van de Utrechtse Heuvelrug, waarvan het een zanderig en bosrijk gedeelte vormt. Het hoogste punt in Het Gooi is de Tafelberg (36,4 m) halverwege Blaricum en Huizen. Verder is het landschap vlak aan oost- en westzijde, met meest weilanden.

De vele overgangen van hoog naar laag, en van droog naar nat zijn belangrijk voor veel dieren en planten. Het hedendaagse Gooi was destijds omringd met verraderlijke hoog- en laagveengebieden die een natuurlijke grens vormden en het Gooi isoleerden van de Utrechtse gebieden in het zuiden, die langs de Vecht in het westen en langs de Eem in het oosten.

Het Gooi biedt zo een grote variatie in landschapstypen met wateren aan de randen, gevoed door kwelwater van de hoge zandrug. Er zijn nog loof-, naald-, gemengde bossen, heide, grasland met zanderijsloten, landgoederen en unieke restanten van engen en meenten. Veel terreinen krijgen nu bescherming (Naardermeer, Goois Natuurreservaat) en vormen waardevolle buffers tussen de oprukkende bebouwing.

Ook uniek voor Het Gooi is het consequent omzomen van veel heidegebieden met groene bosranden tot één vrijwel onafgebroken coulisselandschap dat het zicht op de bebouwing voorkomt.

In het gebied heeft de provincie het volgende aardkundige monument benoemd:
–   de Gooise stuwwallen

 

Bewoning, landgebruik en landschapsontwikkeling
Van de zandgronden zijn losse vondsten bekend van vuurstenen afslagen van verschillende paleolithische culturen. Vanaf het Mesolithicum neemt het aantal vondsten sterk toe en in de jonge steentijd (Neolithicum), vanaf ca 4500 jaar v. Chr., is sprake van sedentaire bewoning. De begroeiing van de zandgronden bestond tot dan toe hoofdzakelijk uit loofbossen, want de kleine, zwervende gemeenschappen verstoorden de vegetatie maar in geringe mate. Kenmerkend voor het laat-neolithicum en de daaropvolgende periode, de bronstijd, zijn de opgeworpen grafheuvels. De grafheuvels liggen meestal in groepjes bij elkaar; ze zijn nu bijna alle beschermde archeologische monumenten. De bewoning in de bronstijd is gegroepeerd in een aantal boerderijen op de open plekken in het bos. Bij de overgang van zwerflandbouw naar raatakkerbouw neemt de invloed van de mens op het landschap toe. Een raatakkker (ook Celtic field genoemd) is een kleine, min of meer vierkante of rechthoekige aaneensluitende akker. Bossen worden gekapt en de pioniervegetatie heide verspreidt zich over de kale zandgronden. De vingerafdruk van de mens op zijn omgeving krijgt meer en meer zijn beslag. Met de sedentaire landbouw in het Gooi begint in dit gebied het Antropoceen.

Bij ‘brinken’, kleine velden waar het vee wordt verzameld en van waaruit het vee naar de heidevelden wordt gedreven, ontstaan de nederzettingen: Blaricum, Laren, Bussum, Huizen en Hilversum dateren uit de 8ste en 9de eeuw. Buiten de dorpen liggen aaneengesloten bouwlanden, de engen. De plaggen van de hoger gelegen ‘woeste gronden’ worden gemengd met dierlijke mest uit de potstallen en op het bouwland gebracht waardoor de vruchtbaarheid van de eng verbetert. De laagstgelegen delen van het landschap worden gebruikt als weiland of hooiland: de meenten of maatlanden. Dit zijn gemeenschappelijke gronden die beschikbaar zijn voor de boeren op basis van oude gebruiksrechten. Op de woeste gronden komen onder meer de boomsoorten berk, els, hazelaar en eik voor. Met het kappen van de bomen, het steken van plaggen en door overbeweiding, wordt de vegetatie op de zandgronden in de late middeleeuwen hoofdzakelijk een monocultuur van heide. Her en der zet de degradatie van het landschap nog verder door en ontstaan vlakten met stuifzanden. Op kleine schaal wordt grind, zand en leem gewonnen uit de stuwwallen. Hoewel sterk beïnvloed door latere stedelijke ontwikkelingen, de herbebossing en park- en landgoedaanleg is dit voor het Gooi kenmerkende oude cultuurlandschap nog altijd goed zichtbaar. zie verder ...