Leersumse Veld

bijgewerkt 27-05-2020
bron:  © RAAP/Overland

Bekijk eerst eens dit introductiefilmpje, gemaakt door onze Geo-cineast Marcel Creemers.

Ten noorden van Leersum en iets ten oosten van het gehucht Ginkel ligt het Leersumse Veld. Op de flank van de heuvelrug zorgen verschillende typen zand ervoor dat, ondanks de relatief hoge ligging, water niet naar de diepte kan wegstromen. Hierdoor konden hier de schilderachtige Leersumse plassen ontstaan in een landschap waarin natte heide en bos elkaar afwisselen.

foto: Geopark

Waar ...
toegevoegd door Geopark

Smeltwater en dekzand
Nadat in de voorlaatste ijstijd de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug door het landijs waren gevormd, werd een deel van die stuwwallen ook weer weggespoeld door grote stromen smeltwater afkomstig van het smeltende landijs. Aan de voet van de stuwwal stroomde het water langzamer en bezonk met name het grove zand en het grind. Hierdoor ontstond een soort plateau van zo’n 8 meter boven NAP. Aardkundigen spreken van een smeltwaterterras. In de laatste ijstijd, in een zeer koude en droge periode, werd tijdens poolstormen daarbovenop door de wind een laag met zogenaamd dekzand neergelegd. Dit zand bestaat uit veel fijnere zandkorrels.
Figuur 1. Situatiekaart Leersumse Veld ter hoogte van de Leersumse Plassen. 1: hoogte van de stuwwal, 2: Leersumse Plassen, 3: twee grafheuvels (volgens Archis), 4: gronden van de buurtschap Ginkel, 5: gebied met veel kuilen, 6: Ginkelse Duinen.

Schijngrondwater
Het gebied ligt nu meerdere meters boven de grondwaterspiegel, maar toch liggen hier plassen en is de heide plaatselijk erg nat. Dat komt omdat hier een zogenaamde ‘schijngrondwaterspiegel’ is ontstaan. Grondwater blijft staan op een ondoorlatende laag in de bodem. Mogelijk is die laag ontstaan op het contactvlak van het fijne dekzand naar de grovere smeltwaterafzettingen. In het grondwater opgelost ijzer komt hier in contact met ingesloten lucht in het grovere zand. Het oplosbare ijzer wordt omgezet in roest onder invloed van zuurstof. Zo kon in de loop van eeuwen een dichte ijzerlaag in de ondergrond ontstaan. Er zijn ook andere oorzaken mogelijk, maar het resultaat is dat de bovengrond plaatselijk al duizenden jaren erg nat is.

Nieuwe verstuiving
Daar waar de dekzandlaag veel dikker is, zijn er ook erg droge plekken. Als dit dekzand wordt ontdaan van vegetatie, dan kan het, net als in de laatste ijstijd, weer gemakkelijk gaan verstuiven. Dit is in de loop van de geschiedenis verschillende keren gebeurd. Hierdoor ontstond hier een landschap waarin meertjes, natte heide, droge heide en hele droge opgestoven duintjes dicht bij elkaar liggen.

Figuur 2. De meest noordoostelijke plas met venige oevers en oevervegetaties Foto Overland.

Het ontstaan van de Leersumse plassen
De Leersumse plassen liggen in een langgerekte laagte die zich van het zuidwesten naar het noordoosten uitstrekt. Deze richting verraadt al de ontstaanswijze. De laagte is uitgeblazen door de wind, die in Nederland meestal vanuit het zuidwesten waait. De grondvorm van deze laagte is waarschijnlijk al ontstaan in de laatste ijstijd. Tijdens de poolstormen werd niet alleen zand neergelegd, het werd plaatselijk ook weggeblazen.

Menselijke invloed in de prehistorie
Onder de klimaatomstandigheden van na de ijstijd (het holoceen) groeit van nature bos. Maar onder invloed van de mens is dat bos meerdere keren verdwenen. Al in het mesolithicum (midden steentijd), zo’n 7000 jaar geleden, stak de mens bos in brand. Het bos verdween, en in de navolgende periode ontstond een pioniersvegetatie met veel hazelaars. Dat leverde veel hazelnoten op. Maar het gebeurde ook dat de kale fijnzandige grond ging verstuiven. Mogelijk is toen de laagte van de vennen verder uitgestoven.

Veel later, in de periode van de eerste boeren (hier vanaf ongeveer 2800 v. Chr.), nam de mens het bos in gebruik als weidegebied voor vee waardoor het bos plaats maakte voor heide en schrale graslanden. Enkele grafheuvels stammen uit deze periode. Ook in die tijd kan verstuiving zijn opgetreden.

Figuur 3. Al vroeg in de twintigste eeuw waren de Leersumse Plassen vanwege hun landschappelijke schoonheid een wandeldoel voor recreanten en fotografen. Foto Balfour van Burleigh, 1920. Collectie Het Utrechts Archief, 805370.

Menselijke invloed vanaf de middeleeuwen
Veel van de duinvormen van het Leersumse Veld stammen uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Boeren uit Leersum en het nabije Ginkel waren gerechtigd om hier hun schapen op de heide te laten grazen. Ze deden dat behalve voor wol en vlees, ook voor de mest. De schapen stonden ’s nachts op stal in een bed van op de heide gestoken plaggen. Het mengsel van mest en plaggen werd als mest op de akkers uitgespreid. Gevolg van het plaggensteken en het beweiden was dat de bodem verarmde. Daar waar een boer had geplagd werd de bodem kaal en kon het opnieuw zand gaan verstuiven. Eenmaal ontstaan kon zo’n stuifzandcel snel uitgroeien tot een groot stuifzandgebied, iets wat op het Leersumse Veld op grote schaal is gebeurd. Door de verstuiving ontstond een landschap van vrij steile stuifduintjes, die nu in de Ginkelse Duinen nog goed zijn te zien. Ze zijn inmiddels zijn begroeid met heide met grassen of met bos, maar heel plaatselijk is nog wat open zand te zien.
Figuur 4. Dam die de meest zuidelijke plas scheidt van de middelste plas. Foto Overland.

Van veenmoeras naar plassen
Als gevolg van de eerder genoemde schijngrondwaterspiegel was de bodem in de laagte erg nat. Er ontstond moeras. Afgestorven plantendelen werden niet geheel afgebroken en er vormde zich een veenbodem. Er lagen vroeger dus geen meertjes maar moerasjes op het Leersumse Veld. In 1771 zag men in dat die moerassen geld waard waren. De plaatselijke overheid, het ‘Gerecht Amerongen, Ginkel en Elst’, liet de moerassen uitbaggeren. Het veen werd gedroogd en kon als turf in de kachel worden verstookt. De baggeraars haalden het veen vanuit schuiten naar boven. Zo ontstonden de Leersumse plassen. Ze zijn door dammen van elkaar gescheiden en soms ook door kaden omgeven. Dat komt waarschijnlijk omdat men de waterstand op niveau wilde houden, zodat de schuiten konden blijven varen. Om die reden lag er ook rond de meren een dam, met daaromheen een ringsloot.
Figuur 5. Stuifduintjes ten zuidoosten van de zuidwestelijke. In deze duintjes groeiden enkele eiken, die werden geëxploiteerd als hakhout. Rechts een stobbe van een vroegere hakhoutboom. Foto Overland.

Bebossing
Ook het landschap van het omliggende Leersumse Veld veranderde van karakter. Vanaf de negentiende eeuw raakte kunstmest in zwang en was het heideschaap minder nodig voor de bemesting. De heide kon daarom verkocht worden. De nieuwe eigenaren beplantten een groot deel met bos en legden ook statige lanen aan, maar juist bij de plassen zijn ook nog stukken heide bewaard gebleven.

Figuur 6. Het ondiepe water van de Leersumse plassen zorgt er voor dat er soms al na enkele nachten vorst relatief veilig geschaatst kan worden, vaak als eerste van Midden-Nederland. links op de foto de wal met daarbuiten de ringsloot van de meest zuidwestelijke plas. Foto Overland.

Recente geschiedenis
In 1911 kocht de Hilversummer M.C. Verloop de uitgebaggerde Leersumse plassen. Hij liet rond de plassen kanaaltjes gegraven waar de kinderen konden kanoën. Enkele greppels herinneren daar nog aan. In de Eerste Plas (de meest zuidwestelijke) liet hij een zwembad graven. Tot 1970 was het in gebruik als natuurbad. Bij de doorgraving werd de waterstagnerende bodemhorizont doorgraven. Daardoor kan in droge zomers een relatief groot deel van deze plas droogvallen. op. In 1941 kocht Staatsbosbeheer de plassen en heidevelden van de erven van Verloop. Tegenwoordig worden de plassen, de heide en het bos beheerd als natuurgebied.

Opgesomd: wat herkennen we?

  • Grafheuvels in het zuidwesten
  • Heidevelden met stuifzandreliëf
  • Veel windvormen en deels nog actief stuifzand in Ginkelse Duinen
  • Heidebebossingen, plaatselijk met lanen
  • Plassen met oever- en verlandingsvegetaties, de plassen zijn gecompartimenteerd met zichtbare dammen ertussen.
  • Kaden rond de plassen en greppels ter plekke van vroegere kanokanaaltjes
  • Natte en soms ook moerassige uitgestoven laagtes zonder open water
  • Kuilen ten westen van het meest noordoostelijke meer